![]() |
Antonius
Hermanus Godefrooij werd op 2 mei 1899 in Zaandam geboren als oudste
zoon van Matthé Godefrooij en Nette Rijkenberg.
In beide families de eerste
kleinzoon, de stamhouder!
Op het moment dat hij geboren wordt is zijn vader
nog 'tailleur', heeft een mooie zaak met personeel en ze wonen in een mooi
huis, met het nodige personeel.
Het lijkt alsof deze jongen met een gouden lepel
geboren is. Hij wordt traditioneel vernoemd naar zijn grootvader van
vaderszijde.
Hij wordt
gedoopt
in de St. Barbarakerk in Zaandam en zijn peetouders zijn oom
Herman Rijkenberg
- * 1860
en zijn echtgenote Suze Pelder - * 1864 uit Purmerend.
Elders in deze kronieken is een beschrijving van de familie
Rijkenberg rond 1900.
Daarin wordt mijn overgrootvader niet eens genoemd - een herbergier zal niet
gepast geweest zijn in deze
hoogstaande keurige katholieke
familie.
Deze peetoom Herman is een zoon van
Jacob, die wel genoemd wordt:
...oud Oom
Jacob,
die wel
enigszins
verkwistend leefde stierf in 1862. Zijn echtgenote Thecla Albers
(tante Teek) woonde later op de kaasmarkt
boven haar zoon, die een schoenenzaak had. Met deze familie
was weinig relatie...
Het
contact tussen de 'mindere' takken van Rijkenberg was er dus
wel in deze standengemeenschap.
Het jongste zusje van Antoon (mijn
moeder) zal
Suze genoemd worden.
Deze oom was een
van de vele taboes, maar ik wist mijn moeder op bepaalde momenten 'los' te
krijgen.
Dan vertelde ze dat hij zo mooi viool kon spelen en dat hij
eigenlijk violist was,maar dat hij te jong was gestorven.
Hoe, waar en waaraan
wist ze niet.
Dit tekent toch wel de diepe geheimen in dit
gezin, maar ook van dit milieu in die tijd.
Hij werd op 1 juni 1922 opgenomen in het Rooms
Katholiek Krankzinnigengesticht voor Mannen "St. Bavo" in Noordwijkerhout.
Hij was toen net 23 jaar en mijn moeder - zijn
jongste zusje - was 8 jaar.
Dit
gesticht was in 1918 gebouwd en dus naar de nieuwste inzichten.
In die tijd waren deze gestichten
nog een vergaarbak van allen, die niet pasten of konden mee
komen in de maatschappij,
dus ook verstandelijk gehandicapten,
homoseksuelen...
Er ontstond een nieuwe tak van
geneeskunde: de psychiatrie. Mensen, die psychisch leden werden
patiënten.
Ook was er geen scheiding tussen
patiënten met fysieke ziekten (neurologie) en patiënten met
psychische problemen
(psychiatrie). De artsen waren meestal
neuropsychiaters.
Mensen werden niet meer opgesloten
in dolhuizen of gevangenissen, maar er werden grote gestichten
gebouwd,
ver van het stedelijk leven, in de vrije natuur.
Er was een kleine groep waarvan
men hoopte dat ze door rust en doordat ze hun verkeerde
denkbeelden
konden gaan corrigeren kans hadden op terugkeer naar de
maatschappij
De meeste mensen zaten er voor hun
hele verdere leven.
De Bavo was een van
de grootste inrichtingen. Het was een grote gemeenschap, die geheel
gescheiden leefden van de gewone maatschappij.
Ze hadden er zelfs hun eigen geld.
Zijn beroep was
kleermaker.
Hij zal dit van zijn vader geleerd hebben, want er moest natuurlijkeenopvolger voor de zaak zijn.
Maar toen hij vier jaar was, was die
zaak al voor de derde maal failliet. En het is zijn vader nooit meer gelukt
om een nieuwe zaak op te bouwen.
Integendeel: het alcoholgebruik werd
steeds ernstiger en zijn vader stierf toen hij zestien was. Het was
crisistijd.
De familie was in diepe armoede.
Als kleermaker kon hij geen cent
verdienen. Als violist kon hij ook geen verdere opleiding krijgen.
Na de dood van zijn vader neemt eerst zijn
zus Tecla de huishouding op zich en daarna zijn jongere zus Co, beiden
moeilijke en veeleisende en zeer standbewuste vrouwen.
Zijn jongere broer Lou vertrekt in 1917
naar het seminarie in Grave en broer Herman volgt hem daar in 1919.
Bovendien (weten we nu) was en is
'depressiviteit' een erfelijke factor in de familie Godefrooij.
Alles bij elkaar geteld heeft hij het nog
lang in dat kleine volle bovenhuisje volgehouden en is het niet
verwonderlijk dat hij uiteindelijk naar de Bavo moest.
En eenmaal daar...
Acht jaar later - op 19 september 1930 - staat dit berichtje in 'Het Vaderland' .
Zijn moeder is naar Zandvoort gereisd om hen te identificeren.
Hij is in Noordwijkerhout begraven, 31 jaar oud.
Maar ook hier heeft de koster van de St. Josephkerk aan de Draaiweg in Utrecht toch weer voor het bidprentje gezorgd.
...gedenk
hem, die in verlatenheid gestorven is...
Zelfmoord is één van de doodzonden in het
Rooms-katholieke geloof. Het lichaam wordt niet in gewijde aarde begraven.
De ziel is voor eeuwig verdoemd.
Deze jongen was al een week dood toen hij
gevonden werd.
Wat zal er als doodsoorzaak zijn opgegeven?
Zijn familie zou er levenslang over zwijgen. Maar
de jongere broers en zusjes is het waarschijnlijk ook nooit verteld.
En zijn moeder en oudere broers en zussen, ik
denk dat ze het niet aan gekund zouden hebben om zelfs maar aan zichzelf toe
te geven wat er gebeurd was.
En zo werd de stapel geheimen en taboes alleen
maar groter en groter.