kroniek

alle
rooms
beroepen
Sjamaar
Godefrooij
Rijkenberg
Schuling
contact
jongste

Reijer Cornelis Joseph Godefrooij werd geboren in de Vogelenbuurt in Utrecht op 17 maart 1911.
Hij was het achtste kind van Nette Rijkenberg en Matthé Godefrooij.
Hij wordt vernoemd naar de levensgezel van zijn Oma, Reijer Vorst, die op dat moment nog voor deze vrouw zorgt.Nadat de vader twee maal failliet was gegaan en het fortuin van de familie van zijn vrouw en zijn eigen familie grotendeels verbrast had moest het gezin in 1909 'vluchten' uit de Zaanstreek en in Utrecht werd Reijer geboren. Drie jaar later in 1914 kwam er nog een meisje bij, zijn zusje Suze (mijn moeder).

In 1915 stierf zijn vader. Het oudste meisje Jo was al vanaf haar 15e uit huis. Het gezin werd geleid door Tecla, 18 jaar de een na oudste.
En als zij in 1919 in het klooster gaat wordt dit overgenomen door Coba, dan 18 jaar.

De moeder is zwak en ziekelijk, ze heeft lupus. En ze heeft nooit geleerd om met geld om te gaan. Zoals ze eerst overheerst werd door haar man zal ze dat haar verdere leven blijven door haar dochters. Moeder kan heel goed koken en handwerken en ze is ook een goede oppas voor de kleintjes, maar ze zal zelfs de huishoudelijke boodschappen nooit zelf mogen doen. En ook alle beslissingen over verhuizingen, opleidingen voor de jongere kinderen e.d. worden door de met ijzeren hand regerende dochter genomen.1
Het voornaamste was: ‘de stand ophouden’ en de onbevlekte eer van de familie in de Rooms Katholieke kerk.

De vader wordt al spoedig een martelaar, die al zo vroeg gestorven was omdat hij dood geconcurreerd was door de confectie, die toen op kwam. De verhalen daarover werden in de loop der jaren steeds sterker en gedetailleerder. De jongere kinderen wisten dus niet beter en de ouderen gingen het zelf geloven.
De jongste kinderen hebben te lijden onder de diepe armoede en het strenge veeleisende gezag van Coba. Ze zijn bang voor haar. Tot aan hun dood zullen deze jongens voor hun kleine zusje alles over hebben en haar willen beschermen.

Waarschijnlijk heeft oma Godefrooij (Jo Teunissen) of een van haar oudere kinderen er rond 1915 voor gezorgd dat er van de drie jongste jongetjes een foto werd gemaakt. Dat hoorde nu eenmaal als je tot een bepaalde stand hoorde. De twee oudere broertjes gaan in het klooster.

Reijer blijkt heel goed te kunnen tekenen en krijgt een beurs voor de Rijks  Academie.                                                         tekening voor zijn zusje

De Rijksakademie van beeldende kunsten is in 1870 opgericht door Koning Willem III als opvolger van de Koninklijke Akademie van
Beeldende Kunsten, die in 1817 bij Koninklijk Besluit werd ingesteld als academie met een nationale opdracht.
In de Rijksakademie collecties is de geschiedenis van deze instituten en de academische traditie zichtbaar zoals ooit begonnen
in de Amsterdamse Stads Tekenacademie (18de eeuw) en de Konstkamer (17de eeuw)
<span


Zijn eindexamenwerk uit 1935 is nog te zien in Amsterdam in de Rijksacademie. In de familie wordt verteld dat hij de Prix de Rome heeft gewonnen, maar daar heb ik niets over kunnen vinden. Zelfs geen nominatie. Ook zou hij het plafond van de St. Salvatorkerk in Zuilen geschilderd hebben, maar ook daar verder niets over.

De overlevering vertelt dat hij in 1941 een grote opdracht had gekregen, nl. het schilderen van de staties van een nieuwe kerk in Amsterdam en dat hij er twee af had toen hij stierf. .  In de jaren '30 was hij lid van Verdinaso. Het lijkt waarschijnlijk dat hij en mijn vader Gerard Sjamaar elkaar daar ontmoet hebben.

Er was in ieder geval een club van jonge katholieke mannen met hoge idealen.
In die club zaten o.a. ook:
Bram Wiesman architect
Charles Hulskamp fotograaf (mijn peetvader)
Bep Post fotograaf en Steef van der Meer - econoom, die beiden - net als mijn vader - de kost verdienden op het kantoor van de vakbond en in avonduren een studie erbij deden.
Ze trouwden beiden met een zus van mijn vader. Het huis van de familie Sjamaar was in die tijd een 'Zoete Inval' en het kantoor van Opa werd ook wel het huwelijksbureau genoemd. Reijer nam zijn vriend Gerard ook mee naar zijn huis en daar deed een keer mijn moeder open waarop Gerard riep: "je hebt me nooit verteld dat je nog een zusje had".
Beiden zeggen dat het liefde op het eerste gezicht was.



Suze werkte in de verpleging in Coudewater, een psychiatrische inrichting in Rosmalen.
Ze was bevriend met haar collega Eef van Veluw, die ook in Utrecht woonde en ze fietsten samen iedere 14 dagen op hun vrije dag naar huis


Reijer werd verliefd op Eef en trouwde met haar. Het was een sprookjeshuwelijk. Tante Eef (later gelukkig getrouwd en twee zoons met Bram Wiesman) zal dat tot haar dood toe zeggen.

Ze waren straatarm. Reijer was een religieuze schilder. Voor opdrachten was hij afhankelijk van de kerk en kerkelijke instituten. En het was crisistijd.Maar ze waren gelukkig samen.

 

Reijer en Eva samen in hun woonruimte in Amersfoort

De echtparen en vrienden hadden nauw contact.                                                                                                                                                      Reijer en Suze




Hij heeft zijn moeder meerdere malen getekend. Hier is een versie van haar toen ze jong was en een toen ze veel ouder was en daarop kun je ook het lupuslitteken op haar lip zien.

En toen hij naam begon te maken werd hij ziek : lupus, geërfd van zijn moeder,maar dan in een veel agressievere vorm.
Hij werd opgenomen in het Antoni van Leeuwenhoekziekenhuis
 

De geschiedenis van Het Nederlands Kanker Instituut - Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis begint in 1913.
Half maart vonden de eerste besprekingen plaats voor het oprichten van een instituut waar ‘lijders aan boosaardige gezwellen’
behandeld konden worden. In het instituut moest ook ‘een bijzondere studie van den kanker en aanverwante ziekten’ plaats kunnen vinden.
In 1916 werden de eerste nieuwe onderzoeksgebieden verkend: in de kliniek werden pogingen ondernomen patiënten te behandelen met
chemotherapie, in het researchlab was men bezig met het kweken van menselijk gezwelweefsel buiten het lichaam.
Ook het immunologisch onderzoek kwam van de grond. Het aantal klinische en poliklinische bestralingen nam gestaag toe.

De overlevering zegt dat hij zich daar heeft laten gebruiken als ´proefkonijn´ om de medische wetenschap verder te helpen, maar dat hij zelf niet hoefde te genezen, dat hij klaar was om naar zijn Heer te gaan.
Mijn moeder heeft me zijn doodsfoto´s laten zien:  hij ligt opgebaard in een Franciscaner pij en één kant van zij gezicht is helemaal weg gevreten (die foto´s heb ik later nooit meer gezien)
.

Zijn bidprentje heeft hij zelf in linoleum uitgesneden.

 Bid en offer voor

R E IJ E R    G O D E F R O O IJ
echtgenoot van Eef van Veluw
Lid van de derde orde van S. Franciscus, geboren
te Utrecht 17 maart 1911, overleden te Amersfoort,
3 October 1942
____________
Hij was eenvoudig, leefde als een blij kind van
God, vol vertrouwen op zijn Vader in de hemel,
op wien hij alle zorgen wierp.
Als kunstenaar schonk God hem bekwaamheid en
inzicht om te werken voor zijn Heiligdom.

Voorkomend en vredelievend was hij een vriend voor
allen en zijn lichtend voorbeeld heeft velen getrokken.
In zijn smartelijke ziekte bleef hij geduldig en hij offerde
zijn leven, vol idealen, voor Christus en Zijn Rijk.
Met S. Paulus sprak hij: “Met Christus ben ik gekruisigd,
 ik leef zelf niet meer. Maar Christus leeft in mij”.
En met den psalmist: “mijn ziel dorst naar God,
naar den levenden God: Wanneer mag ik opgaan
en God’s aanschijn aanschouwen?”     Ps. 42 – 3
Meermalen gesterkt door de genademiddelen der kerk,
gaf hij in het schemeruur van den 3en October,
 S. Franciscus sterfdag, zijn ziel blijmoedig en gelouterd
aan zijn schepper weer.
Zijn ontzield lichaam is den 7en d.a.v. op het
R.K. kerkhof te Amersfoort aan de schoot der
aarde toevertrouwd: Christus zal het leven doen
verrijzen ten eeuwige leven.

“Wie in mij gelooft zal leven ook al is hij gestorven.”
“Het eeuwige licht verlichte hem".

Hij heeft nog aardig wat werk nagelaten. Veel daarvan hing bij ons thuis en zijn schetsen lagen bij ons op zolder.
Als je uit huis ging mocht je er daar een of twee van mee nemen.

Hiernaast degene, die ik destijds mee genomen heb.
→→

Hij heeft ook een schilderij aan zijn zus Jo gegeven.
Het is nu in bezit van haar kleinzoon Jos
.



Voor een postzegelwedstrijd maakte hij dit zwart-wit schilderij. Het heeft lang bij zijn geliefde nicht Sjaan gehangen en is nu bij haar kleinzoon Stephan Pastoor.

Er is nog zoveel meer prachtig werk van hem. Helaas was het me niet vergund om daar foto’s van te krijgen. Jammer.  Ik hoop zo dat hier ooit meer werk van hem te zien zal zijn.