![]() |
|
Vanaf 1850 is het
in Utrecht ook mogelijk om buiten de vestingwerken te gaan bouwen. Op
de singels vestigden zich toen vermogende burgers in grote
villa’s met uitzicht op het water. Net buiten de stad, aan de rand van de weilanden, stond al in 1630 een boerderij, annex herberg, "de Koekoek". Hier zou de eerste woonwijk buiten de singels gebouwd gaan worden om de overbevolking van de stad op te vangen. In 1901 werden langs bestaande waterlopen en wegen als Hopakker en Draaiweg grote kavels verkocht en rijke particulieren zagen hier hun kans. Zij kochten grote lappen grond op en lieten daar meerdere huizen tegelijk op zetten. In de jaren 1920-1930 gold deze Vogelenbuurt als een nette buurt. Er woonden ambtenaren, spoormensen, middenstanders. Maar in de buurt waren ook armoedige huisjes en in de loop der jaren waren huizen op stand in twee of drie huizen opgedeeld. Je kon er dus ‘op stand’ op een klein bovenhuisje, maar toch een patricierswoning, wonen. De standsverschillen werkten op alle mogelijke gebieden diep door in deze wijk. De bellen werden gepoetst en de stoepen geschrobd. Als je echt van stand was liet je dit door personeel doen (zelfs al moest je voor die paar uur hulp nog dieper armoe lijden). Ook het zuilensysteem werkte hier door. De verschillende kerken hadden hun eigen scholen. Buiten dat je alleen met je eigen geloofsgenoten om kon gaan kon je ook bij elkaar in de klas zitten, maar niet bij elkaar binnen mogen, omdat het beroep van de vader te min was, omdat de ouders gescheiden waren, omdat… |
|
Op zondag 3 Maart 1900 wordt
aan de Draaiweg in de Vogelenbuurt een nieuwe parochie opgericht en de
grensregeling wordt vastgelegd als volgt: Stroomkade en de Vecht tot de kerkelijke gemeenten van Maarssen en Hilversum ten oosten begrensd door de kerkelijke gemeente De Bilt.
|
Zowel
de nieuwe parochie als de scholen, die daarbij hoorden waren nog
helemaal in ontwikkeling.
Een jong gezin van stand met dan nog 7 kinderen
zal zeker welkom geweest zijn in het parochieleven.
|
Opmerkelijk in die tijd was ook het vele verhuizen.
Er was geen woningnood
en de verhuurders deden er dus veel voor
om hun huizen niet leeg te laten staan, zoals een nieuw behang of vloerbedekking of een maand gratis wonen enz. Gezinnen verhuisden van straat naar straat om vele redenen, zoals o.a. huurschuld, maar ook om een groter raam of een balkonnetje, dus om er iets beter van te worden en in die tijd was verhuizen een kwestie van een bakfiets lenen en de paar schamele bezittingen (’s avonds na het werk, in het donker) op te laden en te vervoeren |
Als Matthé in
1915 sterft blijft zijn weduwe met 8 kinderen in dit bovenhuisje aan de
Kwartelstraat achter.
Tecla is 18 en had toen waarschijnlijk
al jaren de zorg voor de huishouding en voor de overige kinderen.
Hoewel ze dat natuurlijk nooit kunnen en zullen
toegeven zijn ze nu financieel in ieder
geval beter af dan met de vader. Deze man was verslaafd en zijn familie had de handen al
jaren van deze familie afgetrokken.
Nu hij dood is zullen de
familieleden er in ieder geval voor willen zorgen dat de jongens een goed vak
leren.
De moeder weet hoe ze de meisjes moet opvoeden - sinds haar
jeugd is er in die waarden en normen weinig veranderd.
Zij kan goed koken en prachtig handwerken, maar haar
dochters zullen er altijd voor zorgen dat Moeder geen geld in handen
krijgt, want ze heeft geen enkel
besef van de waarde ervan en heeft
dus - volgens haar kinderen - 'een gat in de hand'.
Antoon is 16, hij is
kleermaker, en moet dus een deel.van de kost verdienen, maar hoe? Hij kan
eigenlijk alleen goed viool spelen.
Coba is 14, ook zij heeft het vak al van
haar vader geleerd.
Zij kan daarin dus ook een deel van de kost verdienen en zal
ook haar coupeusediploma in die tijd behalen.
Lou, Herman en Wim
moeten nog naar school en de twee kleinsten Reijer en Suze zijn daar nog te klein voor.
Als Tecla
in 1919 naar het klooster gaat neemt Coba als 19 jarige de
verantwoordelijkheid van het gezin over.
Zij blijft daar wel werk als coupeuse bij doen en dat kan nu
ook, want alle kinderen zijn nu op school of in de leer voor een vak.
In die tijd zijn kinderen, die verdienen, wettelijk
verplicht om een bepaalde som geld voor de verzorging van hun moeder af
te staan.
De oudste dochter, Jo, die eerst op Zuilen (arbeiderswijk) woonde is
inmiddels ook in deze 'deftige' buurt komen wonen. Ze zal nooit meer haar ouderlijk huis betreden -
aan
Vaders verboden had men zich te houden - en Coba zal ook alle
contact met haar weigeren. Maar ze moet wel aan haar
wettelijke verplichting voldoen om een bijdrage voor het
onderhoud van
haar moeder te geven. Jo was zeer uithuizig en het blijkt dat
'opoe' - zoals ze door de kinderen van Jo werd genoemd - regelmatig
naar het huis van haar dochter ging om zich over haar
kleinkinderen te ontfermen.
De jongste dochter, Suze, scheelde net drie jaar met de oudste van Jo,
Bep. De kinderen speelden regelmatig met elkaar. Suze, Bep en Sjaan hebben
een groot deel van hun jeugd samen door gebracht, ook al moesten de kinderen van Jo 'tante' tegen haar
zeggen. Als oude mensen komen zowel Suze als Sjaan hier regelmatig op
terug hoe ze dan heel zachtjes 'tante' zeiden en
heel
hard 'Suze'. Beide partijen hebben tot aan hun dood een goed gevoel bij
dit contact.
Suze gaat uiteraard naar de
nonnenschool. Ze vertelde als oude vrouw nog steeds over hoe
verschrikkelijk het was om in de klas naar voren te worden geroepen om gratis schoolmelk
te krijgen en
te merken dat er gegniffeld werd omdat ze tweedehands kleren droeg, die o.a. van kinderen uit haar klas kwamen. Ook
moest ze in de zomervakantie naar een koloniehuis
voor zwakke (= arme) bleekneusjes uit de stad. Dat heeft ze ook vreselijke
ervaringen gevonden.
Rond 1920
begon de gemeente op het weiland achter de Merelstraat met het bouwen
van een nieuwe wijk en dit werd een ruim
opgezette wijk, bedacht op tekentafels van architecten. Er
kwamen echte eengezinswoningen. Wie het zich kon veroorloven
verhuisde naar deze 'Tuinwijk'.
De 'stille armen' bleven in de
Vogelenbuurt en voor hen waren de komende crisisjaren kei en keihard.
De vele werkelozen moesten om hun 'steun' bij het
stempelkantoor op de Hopakker op te halen in lange rijen op straat
staan.
In de volksmond werd dit gebouw 'de
schooierskit' genoemd.
Kunnen wij ons
nu nog indenken hoe vernederend dat geweest moet zijn voor mensen, die
gehersenspoeld waren met het
feit dat zij 'van stand' waren, dat armoede een hele grote schande
was, dat zij boven 'het gewone volk' stonden.
In 1926 trouwt
Coba en gaat op stand wonen op de Tolsteegsingel, iets verder weg. Suze
van 12 jaar en Reijer zitten nog op school.
Wim is 17 en werkt als leerling timmerman. Herman
is al jaren op het seminarie en alleen de vakanties thuis. Lou woont
ook nog thuis. Hij werkt op kantoor.
Antoon is al in 1922
opgenomen in een psychiatrische inrichting en dus dood gezwegen.
Dit blijkt niet te werken. Coba vindt dat zij de zaken weer moet overnemen en verhuist in 1927 naar de
Kievitstraat 12 bis.→→
Dus alleen moeder en Wim
moeten met Coba mee. Maar met vrije dagen en in vakanties komen de
'kinderen' wel bij Moeder thuis. Wim is werkeloos en moet dus.iedere dag stempelen.Ook Coba heeft het hoog in de bol. Het is haar gelukt om met
de zoon van de toen belangrijke Cornelis Kuiper uit Bilthoven te
trouwen en haar echtgenoot heeft gestudeerd.Zij moet dus
iedere keer naar een beter huis. Nu de
←←

|
De Vrede van den Heer
Jezus Christus zij met Antoinette Rijkenberg weduwe van Matthias Godefrooij Zij werd geboren 18 januari 1874 te Purmerend. Meermalen gesterkt met de genademiddelen der H. Kerk, is zij in den Heer ontslapen 14 febr. 1944 te Purmerend. Haar lichaam werd bij gezet op het R.K. Kerkhof aldaar den 17en d.a.v ------------------- Voor de aarde en voor de mensen gestorven moge zij leven in God. Na langen strijd en veelvuldig lijden heeft Christus, het Licht der levenden en dooden haar opgeroepen om het loon voor haar moederliefde en zorgen te ontvangen. Ik smeek u, mijn dierbare kinderen en klein kinderen, als gij dit leest, vergeet dan niet in uw gebeden uw dierbare moeder en grootmoeder te herinneren; denk aan wat ik voor u ben geweest, opdat de almachtige God mij in de eeuwigheid moge behoeden. Laten wij bidden. O, God, wij bidden U, dat Gij de plaats van verkwikking, van zoete vrede, licht en klaarheid schenken wilt aan Uw dienares Antoinette en dat Gij haar van den dood moge doen overgaan tot het leven. Door Christus onzen Heer. Amen. Onze Vader - Wees gegroet |