jaap

            kroniek

jacobJaap Rijkenberg - telg uit het geslacht Rijkenberg - volgde niet de gebruikelijke voetsporen van zijn geslacht.

Eerst al niet in de grote goed lopende zaak bij zijn vader. Ongewoon voor een oudste zoon.
Bij een schrijnwerker in de leer. Dit lijkt een compromis.
Een eerbaar vak, maar de Rijkenbergen zijn toch van de wat hogere en luxere middenstand.
En dan neemt hij de herberg over.
En juist die herberg, die was al eerder van een Rijkenberg, maar dan toch een van een standje lager.
Zeker in dat Rijke Roomsche Leven dat nu eindelijk erkend en in volle bloei gaat komen en voor de
kerkmeesters, armmeesters en wat al niet meer in die besturen zat wordt stand, een vlekkeloze reputatie
en het ophouden van de stand en uiterlijke schijn zijn van een nog groter belang.

 

 

alle
rooms
beroepen
Sjamaar
Godefrooij
Rijkenberg
Schuling
contact

terug
Als herbergier en tapper stond hij letterlijk en figuurlijk midden in het centrum van deze gemeenschap.
Hij had ook een flinke lap grond met veeteelt en landbouw waarmee de herberg zichzelf kon bedruipen.

Jaap werd op 2 oktober 1835 in de Peperstraat in Purmerend geboren, in het huis bij de winkel van zijn vader,die koekbakker was.
Zijn enige broer nam de zaak over en werd koekbakker, trouwde met Trijntje Liet en kreeg vijf dochters.
Zijn enige zus trouwde met Jan Tijburg,
de zadelmaker.
Dat hij uit een gezin van 'maar' drie kinderen kwam was in die tijd en dat milieu uitzonderlijk en de meest voor de hand liggende verklaring zou
kunnen zijn dat zijn moeder 'zwak' en 'ziekelijk' was, hoewel ze wel in de winkel werkte.

Jaap was 31 jaar toen hij huwde met de 20 jarige Tecla Kok, dochter van de smid in Purmerend. Dit is te verklaren uit het feit dat er pas getrouwd kon worden als de man een gezin kon onderhouden en voordat er gehuwd was     kon er geen kind komen. De vrouw was dan strafbaar.
Smid was een respectabel beroep, maar in de andere takken werd er toch beter getrouwd.
We kunnen er redelijkerwijs van uitgaan, dat deze tak toch als minder werd beschouwd door hun familieleden in het Purmerend van die tijd.

Ze trouwen in januari 1867 en 10 maanden later wordt hun eerste kind, een dochter, geboren.
Netta (traditioneel vernoemd naar de grootmoeder) zal ruim vier jaar worden. Haar broertje zal negen jaar worden, maar de twee jongetjes, die daarna geboren worden maar twee en zeven maanden.
De tweede Nette, die geboren werd zou wel volwassen worden. Zij groeide echter op met de dood. Na haar nog een meisje, dat slechts twee maanden wordt, nog een jongetje, maar 14 dagen leefde. Als ze 5 jaar is komt er nog een zusje, Tecla, dat ruim drie jaar wordt en de laatste, haar broertje Herman, wordt geboren als zij al 12 jaar is. Hij is de tweede van de negen kinderen, die ook volwassen zal worden.

Hoewel kindersterfte en sterfte in het kraambed in die tijd nog veel voor kwam was het in dit geval niet zo gewoon. Dit waren gegoede mensen, ze konden zich alle hulp, die nodig was, veroorloven. Ze waren goed gevoed. En.. de kinderen waren wel levensvatbaar en sommige van hen stierven pas op de lagere school leeftijd.

De kennis van nu kan meer inzicht geven:
Nette blijkt
lupus te hebben. Dit is een auto-immuunziekte waarbij er o.a. ernstige huidontstekingen ontstaan. Zij zal haar verdere leven littekens ervan in haar gezicht hebben. Een zoon van haar zal er jong aan sterven.
En nog steeds zijn er klein- en achterkleinkinderen van haar met deze ziekte.
Je zou dus kunnen stellen dat een zwakte in het afweersysteem, het immuunsysteem, bij de kinderen van dit echtpaar manifest wordt.

Op 13 februari 1895 trouwt hun dochter Nette met Matthé Godefrooij uit Amsterdam. Zij gaan in Zaandam wonen.
Hun zoon Herman is dan 15 jaar en gaat in de leer bij een schoenmaker in Amsterdam.

Reijer Vorst woont dan al jaren bij hen in. Toen hij een baan als onderwijzer kreeg
is hij al kostganger bij hen in de herberg.komen wonen.

Hij is vrijgezel en al snel actief in het sociale en politieke leven van Purmerend.
En uit alles blijkt dat hij al snel niet alleen kostganger meer is, maar inwonend vriend.
En deze Reijer Vorst zit in het bestuur van de
"Vooruitstrevende Burgerkiesvereniging" in de Beemster.
In 1899 bemoeien goede 'fijne' katholieken bemoeiden zich niet met politiek.
En er bestond ook nog geen katholieke politieke partij.
 

Jaap heeft de herberg en alles erbij verkocht. de overeenkomsten voor de bruiloft zijn nagekomen en koopt in Beemster, aan de Zuiderweg, een huis. Jaap is dan bijna 60 en Tecla bijna 49 jaar. Reijer Vorst - 46 jaar, nog vrijgezel, gaat met hen mee. Ze verhuizen met z'n drieën naar de Purmerendseweg.

huishuis

Purmerenderweg in de jaren dertig van de vorige eeuw. Rechts: nr. 189, daarnaast 191 Kadastraal D 1263
oude nummering A 77c, 93, 175
1904
Op 24/9/1904 verkochten de Pelders zelf voor fl. 324 een bouwterrein aan Reijer Vorst Corneliszoon, onderwijzer in de Beemster, zes meter breed, 27 meter diep. Het maakte deel uit van D 1240.

Uit het bevolkingsregister valt op te maken dat Vorst (geboren 7/6/1859, Schellinkhout) trouwde of ging samenwonen
met de weduwe van Jacob Rijkenberg († 15/3/1898), Johanna Tecla Kok. Adres staat genoteerd als A76 (doorgestreept), A 77.
Zij stond dus eerst ingeschreven op Purmerenderweg A 76 (nu P 187) en verhuisde vermoedelijk in de loop van 1903-1904
naar A 77.
Rijkenberg en Kok woonden voorheen op de Zuiderweg, mogelijk woonde Vorst toen al bij hen in, want Vorst werd op 18/9/1895 in de Beemster ingeschreven. Op 9/7/1910 vertrokken zij samen naar Purmerend. Het huis werd verhuurd.


bron: John Dehé: Purmerendseweg

In maart 1898 sterft Jaap. Tecla en Reijer blijven er wonen tot Reijer in 1904 een ander huis even verder op laat bouwen. Daar trekken ze in 1904 in.
In juli 1910 gaan ze naar in het centrum van Purmerend wonen en daar overlijdt Tecla acht maanden later.

poes
bid
Bid voor de ziel van Zaliger
Johanna Tecla Kok
Wed. van Jb. Rijkenberg
geboren te Weesp 27 Juli 1846, overleden
te Purmerend, meermalen gesterkt door de
H. Sacramenten der Stervenden 11 April 1911
en 15 April begraven op het
R.K. Kerkhof aldaar.

Lang en pijnlijk was haar lichaamslijden;
zwaar de smartenschatting, die God aan haar harte vroeg;
doch christelijk heldhaftig heeft zij den goddelijken
lijder van Calvarië nagevolgd, in bewonderenswaardige
overgeving haar Golgotha beklommen.
Zijn genade heeft mij immer ondersteund en
hoopvol heb ik den dood verwacht.
Mijn kinderen! rusteloos ijverde uw Moeder
voor uw welzijn; vergeet mijn lessen niet,
houdt mijn voorbeeld voor oogen, opdat wij
elkander wederzien bij God.
Mijn God! zegen hen, die ik achterlaat;
dat uw oneindige liefde hen omstrenge,
die mij in de bange wederwaardigheden
van mijn veel beproefd leven zoo trouw ter zijde stonden.
Schenkt mij uw hartelijk gebed voor de rust mijner ziel.
Mijn Jezus Barmhartigheid.
R. I. P.
------------------------------------------------
J. M. Bleekemolen - Purmerend

Advertenties uit de Purmerender Courant
De dankbetuiging uit Utrecht was ondertekend door het echtpaar Godefrooij - Rijkenberg uit Utrecht (mijn grootouders).

         rouw 1911 vorst 1919 vorst

In deze zelfde krant, in dezelfde tijd zijn vele advertenties van deze Rijkenbergen te lezen en ook nog meer van Reijer Vorst.
Maar ook van de Rijkenbergen van de schoenen, van de Comestibles. Van de Rijkenbergen gehuwd met Wubbe, met de Wolf.....

Des te opvallender dus dat deze Jaap, deze Tecla en al helemaal Reijer Vorst uit het gemeenschappelijk geheugen waren gewist!
En niet alleen uit dat van de rooms-katholieke gemeenschap van Purmerend, maar ook uit dat van hun eigen nakomelingen.

Hun dochter Nette, die zo'n goed huwelijk leek te hebben met een zoon uit de rijke katholieke intellectuele familie Godefrooij uit Amsterdam was in 1909 met haar echtgenoot en zeven kinderen berooid uit Noord Holland 'gevlucht'.
Met de zoon in Amsterdam lijkt weinig tot geen contact te zijn. Als Tecla in 1911 sterft wordt Reijer openbaar bedankt door dit echtpaar en als er een maand later in Utrecht weer een zoon wordt geboren wordt deze Reijer genoemd.

Als kind stelde ik al te veel vragen in dit zwijgzame milieu. Maar mijn moeder, mijn tantes, niemand wist antwoorden, bijvoorbeeld niet op
de simpele vraag waarom oom Reijer zo heette (terwijl ik toen ook wist dat een naam nooit zomaar werd gegeven).
Als je niet naar een (evt. net overleden) familielid werd vernoemd dan was het naar een heilige van de dag waarop je geboren was,
zoals bij mijn broer Fons of naar een heilige waar je een bijzondere verering voor had. De herkomst van deze wist niemand.

Na het vertrek uit de Zaanstreek had dit gezin een geheel nieuwe geschiedenis voor zichzelf gemaakt.
Toen ik in 2004 met genealogie begon waren er al verschillende genealogieën van Rijkenbergen in omloop, maar Jacob, de herbergier,
kwam nergens in voor.

Dit 'Dood Zwijgen' komt in meer families voor, m.n. als de betreffende gezinnen uit de streek verdwijnen. En dit gebeurde vooral als het betreffende gezin aan lager wal raakte en/of als er 'schandalen' waren.
Tja, de eerste tijd zal er nog wat besmuikt en achter de hand gepraat zijn dat Jaap al zo laat getrouwd was met een 11 jaar jonger meisje,
dat ook nog ziekelijk was en dan al die kinderen,
die dood gingen...
En dan die ongetrouwde man, die al die jaren met hen samen woonde,
zelfs toen Jaap al gestorven was... En die politieke ideeën, die de man openbaar in Purmerend predikte: een 'Vooruitstrevende Burgerkiesvereniging'. De Rijkenbergen waren niet vooruitstrevend. Zij waren goede behoudende katholieken...
En dan dat gezin waar die dochter in getrouwd was, die man was een zatlap, had twee keer zijn zaak failliet laten gaan, had overal schulden...


In de loop der tijd raakte dit in de vergetelheid en nadat haar man was overleden kon haar dochter,de arme weduwe, nog een enkele keer naar Purmerend en werd daar dan goed ontvangen door de hartelijke Herman met zijn 'snoepjes winkel'. Tenslotte was haar broer naar hem vernoemd en ook haar zoon Herman en die werd priester en dat maakte veel goed.
En als dan weer 30 jaar later haar dochter als non haar bij zich neemt in het 'gasthuis' van Purmerend is alles vergeten en vergeven en zal het de vergetelheid in gaan.

En zo hoort het ook. Daarom hebben de katholieken de biecht uitgevonden. 'Zonden' die gebiecht zijn, zijn immers vergeven en het biechtgeheim is heilig!