![]() |
| Jacob Sicking (* 1894), zoon van
Lodewijk Sicking en Marietje Rijkenberg
heeft een verhaal geschreven over het leven van zijn moeder en zijn jeugd in Purmerend. Dit stuk is in te zien bij het CBG. Als hij dit alles op schrijft is hij pastoor in Tilburg en 89 jaar. Logisch dat het verhaal vrij warrig is en van de hak op de tak. Toch heb ik dit verhaal als uitgangspunt genomen om te beschrijven hoe het met de Rijkenbergen gaat in de tweede helft van de 19e eeuw. Dit heb ik ook meegenomen omdat het denken en de meningen, die hij beschrijft, een eeuw later bij mijn moeder, mijn ooms en tantes en zelfs nog in ons gezin nog zo frappant hetzelfde zijn, zoals bijvoorbeeld: Alleen over personen, die belangrijk zijn wordt verhaald. Hoewel er in die polder nog zoveel meer familieleden wonen beperkt hij zich tot het kleine kringetje dat geld en status heeft. En die status wordt bepaald door de kerk! Het is opvallend dat mijn (over)grootvader niet eens genoemd wordt en zijn broer slechts zijdelings terwijl deze herbergier en banketbakker, voor zover ik kan nagaan, ook een prominente rol in het katholieke deel van Purmerend hebben gespeeld. Misschien waren zij ook te los, te lichtzinnig en te verkwistend. Maar ik weet zeker dat ze dezelfde godsdienstige opvattingen hadden en dat ze tot begin 20e eeuw behoorlijk vermogend waren. En ik werd in mijn jeugd nog overgoten met hoe belangrijk de familie Rijkenberg was geweest, zo'n keurige familie, zo degelijk, zo goed katholiek, zoveel geestelijken. En dan natuurlijk al die prachtige zaken. Als mijn moeder over zaken van haar ooms en tantes sprak werd er altijd nog bij verteld dat het niet alleen maar een schoenenzaak was, maar alleen super maatwerk of niet zomaar een bakker, maar delicatessen voor de hoogste kringen... Ook ik leerde nog dat moeders heilige wezens waren, die in zweet, bloed en tranen kinderen kregen voor God, dat moeder zijn Lijden betekende, maar dat zij dit Lijden in diep geloof en als heilige taak op zich hadden genomen.... En dat mannen bestonden om voor het geluk en het welzijn van deze heilige vrouwen te zorgen. En om belangrijk te zijn en goed geld te verdienen. In onderstaand verhaal zijn de stukjes uit het verhaal van Jacob Sicking in het paars en letterlijk geciteerd. |
Rector
Rijkenberg had rond de eeuwwisseling contact met Lodewijk Sicking in
verband met de genealogie van de familie. Hij meende dat indertijd twee
broers Rijkenberg vanwege geloofsvervolging uit Friesland waren
gevlucht en dat daaruit de twee stammen Rijkenberg zouden zijn ontstaan.
Lodewijk begon in 1902 een
onderzoek in Kerk en Stadhuisregister van Purmerend. Hij kwam daar tot
een Adam Rijkenberg, die in 1746 overleed. In 1733 trouwde Michiel
Adamse Rijkenberg. Zijn kinderen komen in die registers ook voor als
Adamse. Later blijft alleen de naam Rijkenberg over...
Begin 1900 is het een belangrijk punt
in de geschiedenis is dat er in de geslachtslijst slechts
één gemengd huwelijk voor komt en dat de
katholieke stam zich al die jaren heeft gehandhaafd.
Na de godsdienstoorlogen is het
'protestantisme' rond 1650 immers de staatsgodsdienst geworden. Hoewel
de katholieken steeds meer gedoogd werden - zeker ook omdat zij goede
zakenlieden waren - konden zij, net als de joden, geen ambten bekomen,
niet in dienst van staat, provincie of stad zijn. Zij wisten zich
echter al snel een belangrijke plaats te verwerven als neringdoenden,
ambachtsmensen en boeren. Die katholieke gemeenschappen in bepaalde
steden, zoals Amersfoort, Purmerend, Bolsward trokken uiteraard
katholieken
aan uit minder tolerante
gebieden. En dit worden hechte gemeenschappen. In Purmerend heb je o.a.
de families Albers, Kok, Sicking, Wubbe, Kuijper, de Wolf, Pelder, Dek,
Rijkenberg, die nauwe banden
hebben via huwelijken, werk, verenigingen...
Ook zie je dezelfde voornamen
zich over de families verspreiden.
... Maar eerst iets over
Purmerend, zoals ik het nog kende. Het was met zijn 6000 inwoners
vrijwel de minste onder de stedekes van Noord Holland, maar het wist
dat het de stad was.
Het was dan ook de stad voor de bewoners van Beemster en Purmer en
Wormer en dus winkelcentrum. Op Dinsdag, de marktdag was er een
onnoemelijke drukte. Op de kaasmarkt, waar de kazen lagen opgestapeld
en werden gekeurd en gewogen, kon je haast niet vooruit komen. Maar
tegelijk losten boten koeien en varkens en schapen en kippen. Het was
een pracht gezicht om een scheper op een holletje langs de straat te
zien gaan met al de schapen achter hem aan.
De koemarkt, de kippenmarkt:
het was alles even druk. Trouwens, het was markt in alle straten,
terwijl alle winkeliers buiten voor hun winkelpand uitstalden. Waar
bleven die marktbezoekers? Verscheidene winkeliers
reserveerden een zaaltje waar de klanten een kop koffie konden drinken.
Ook waren er zgn. Dinsdaghuizen: huizen, die enkel op Dinsdag als
koffiehuizen fungeerden. Ook Rijkenberg had hiertoe een zaaltje.
Van hoeveel belang deze markt
was bleek wel toen Hoogmogenden indertijd wilden dat Purmerend een
"jansenistische pastoor" zou accepteren. Toen besloten de boeren van
Beemster en andere polders om de kaas niet meer naar de Purmerender
Kaasmarkt te brengen, maar door te rijden naar Edam. Hoogmogenden
moesten inbinden. Blijkbaar hadden de katholieke boeren, die in
Purmerend kerkten, een groot overwicht.
De Purmerender katholieken
waren diep gelovig. Ofschoon zij sterk in de minderheid waren wisten
zij toch tussen de anderen te leven. Slechts een enkele maal was er een
moeilijkheid, behalve dan dat er elk jaar een gevecht plaats vond
tussen de jongens van de scholen.
De eerste Heilige Communie
noemde men naar protestantse gewoonte "aanneming". Devotionalia als
scapulieren bleef men uit de weg. Des Zondags werd voor de Vespers
godsdienstles gegeven aan kinderen, die alreeds waren aangenomen.
Blijkbaar wilde men in staat wezen om zich te verweren.
De
nabijheid van Amsterdam, dat per trein, maar meer nog per tram of boot
te bereiken was, bood niet enkel uitgaansmogelijkheden, maar gaf de
zaken mensen de gelegenheid om hun zaken te bevoorraden. Nu gaat
Purmerend uitgroeien tot een grote stad.
In
dit kleinsteedse milieu leefde dus het echtpaar
Herman Rijkenberg en Marijtje
de Wolff
Herman Rijkenberg en Marijtje
de Wolf waren in 1823 gehuwd. Ze gingen door met de grote schoenenzaak
Rijkenberg in de Peperstraat, het centrum van de stad.
Ze kregen vijf zonen: Jacob,
Hendrik, Pieter, Gerrit en Herman.
1. oud Oom
Jacob,
die wel enigszins verkwistend leefde
stierf in 1862. Zijn echtgenote Tecla Albers
(tante Teek) woonde later op de kaasmarkt boven haar zoon,
die een schoenenzaak had. Met deze familie was weinig relatie.
2. Grootvader Hein
trouwde met Sophie Wubbe en zij zetten de
schoenenzaak voort
3. oud Oom Piet
trouwde met Marietje
Kuijper uit een Uitgeester familie. Uit dit huwelijk was
Herman Rijkenberg, die trouwt met Catharina
Sicking uit Wormerveer, mijn vaders zuster, onze tante
Trijntje. Hij was een zeer goede man, doch wel min of meer de bekende man van twaalf ambachten.
Zijn kinderen zijn Maria (soeur Celestine), Frits en Piet.
4. oud Oom Gerrit
was
eerst ook in de schoenenzaak, later trouwde hij met de zus van Sophie
Wubbe, Hesje Wubbe, en zij begonnen een juwelierszaak.
...
Dit paar had geen kinderen.
Tegen verwachting van de familie, die meende, dat zij zeer bemiddeld
waren, bleek dat deze goede
mensen, die al tijden stil woonden, de laatste jaren in stille armoede
hadden geleefd...
5.
oud Oom Herman
stierf jong.
... Er
woonden nog meer katholieke Rijkenbergen in Purmerend, maar grootvader
verklaarde dat zij geen familie waren ...
Dat waren ze echter wel, maar ze hadden
kennelijk minder aanzien en minder geld
.
Opvallend in dit verhaal is dat er
niet alleen weinig kennis van de familie over is gebleven, maar vooral
dat alles wat er niet Hij kan echter wel uitgebreide uitleg
geven waarom de ene Paulinus genoemd en de ander Paschalis. dat heeft
niet
in past ook niet verder onderzocht
wordt. Geheimen blijven geheimen, ook al zijn de mensen al jaren dood.
Daar mag je niet in roeren. Zelfs
in genealogisch onderzoek wordt geen onderzoek gedaan.
En dat is tot op de dag van
vandaag nog steeds zo! Niet overal natuurlijk, maar wel in de vier
geslachten
waar het gezin waarin ik opgroeide uit
is voort gekomen. ZWIJGEN!! en dat zie je hier dus ook:
1. - Jacob
was koekbakker en had een winkel. Zijn zoon Herman was twee jaar toen
hij stierf. Dus de zaak zal verkocht
zijn
en Herman werd opgeleid tot schoenmaker en kreeg later zijn eigen
schoenmakerij
Het is aannemelijk dat zijn moeder
(Tecla Albers) daar toen boven is gaan wonen.
3.
- Piet was naar zee gegaan. Hij was pas
28 toen hij in Batavia verdronk. Zijn vrouw moest 15 jaar wachten voor
ze
mocht hertrouwen.
5. - Herman
is op 81 jarige leeftijd in Purmerend overleden. Hij was gehuwd en als
beroep staat 'koopman' genoteerd.
alleen met vernoemen te maken, maar ook
met de geboortedag en met heiligen, die dezelfde namen hadden.
Hij heeft het ook uitgebreid over de schoenenzaak van zijn grootvader Rijkenberg.
...Grootvader had het goed met zijn vrouw getroffen. Het was niet enkel een dame. Haar handen stonden niet verkeerd. Zij was een wijze, uiterst lieve vrouw. Ook later toen zij oud geworden was, kwamen de kinderen en kleinkinderen graag naar "Moe" en Grootmoe. Op tachtigjarige leeftijd zat zij nog steeds te breien voor de kinderen. Ze veerde op toen ik haar een keer aan sprak over Le Sage ten Broek*. Die naam sprak haar nog steeds aan. Het portret van Paus Gregorius XVI hing nog in het huis waar ook nog een oude Nederlandse Bijbel (een Moerentorf) te vinden was. Zij was dus een Wubbe. De Wubbe's waren met "lapjes" uit Westfalen naar Holland gekomen...
Hij vertelt verder over een bekende pastoor Wubbe in Amsterdam waar ook de Rijkenbergen dikwijls op de pastorie gingen logeren, over de komst van Schaepman in Purmerend.
| Joachim George le Sage
ten Broek (1775 - 1847)
was een Nederlands schrijver en journalist. Hij was een belangrijke rooms-katholieke emancipator en geloofsverdediger. Hermanus Johannes Aloysius Maria (Herman) Schaepman (Tubbergen, 2 maart 1844 – Rome, 21 januari 1903) was een Nederlands dichter, rooms-katholiek priester, theoloog en politicus. Hij speelde een doorslaggevende rol in de katholieke emancipatie. als eerste priester die lid van de Tweede Kamer werd. |
...Van hem (oom Cornelis Wubbe) heb ik
het verhaal hoe de drie ongetrouwde Wubbes, die een manufacturenzaak -
met als specialisatie
damesmantels - hadden in de Breestraat de eerste waren in Purmerend,
die gasverlichting aanschaften en hoe alles
uitliep wanneer het licht aan ging met de verbaasde vraag hoe dikwijls
je nou moest bij vullen.... (petroleum).
De boeren in de Beemster
profiteerden later het meest van de uitvinding van het lichtgas. Als
kind zag ik naast elke boerderij een
ketel waarin het
moerasgas werd opgevangen...
Oom Cornelis Wubbe vertelde me
hoe zijn broer Bernard er, naar het gebruik van de tijd, als marskramer
op uit ging om de
winkelvoorraad te slijten. Op
kruispunten ontmoette hij dan andere middenstanders.
Na verloop van tijd gaf hij de zaak door aan
Antoon Kuijper, die met Hester Rijkenberg
was getrouwd.
Na enkele vruchteloze pogingen
hebben deze twee de mantels aan de kant gedaan en hebben zij de zaak
doen herleven...
...Mijn grootvader Henricus
Paulinus Rijkenberg had een zeer gelukkig huwelijk. Sophia
Margaretha Wubbe was een zeer zorgzame, een wijze en bij uitstek
lieve vrouw. Met haar hulp kon hij de zaak omhoog helpen en werd hij
een zeer geacht
burger, die zowel kerkmeester werd als opperbrandmeester. Ik zie hem
nog zoals hij 's Zondags met zijn hoge hoed en bril met gouden montuur ter kerke
toog. Met zijn personeel kon hij goed om gaan.
Toch
moet ik vertellen wat mijn Moeder mij mede deelde. Grootmoeder was op
Zondagmiddag in de winter met Grootvader
op stap. Hij had nog een
boodschap voor de meesterknecht. Toen zij daar aan kwamen bleek de man
in de bedstee te liggen.
De kinderen lagen
boven hem en hij lag over de rand van de bedstee verhaaltjes te
vertellen. Zo kon de stook worden uitgespaard.Wel dienen wij hier te bedenken dat er
toen een uitzonderlijk koude winter was wat voor mijn grootvader
aanleiding was tot het
aanschaffen van de eerste kachel.
Het echtpaar kreeg vijf
kinderen: Marietje, Bernard, Hester, Herman en Jacob
welke laatste jong, doch diep betreurd, kwam te sterven.
Het is geen wonder te noemen
dat Vader Hein, wie alles lukte wat hij aanpakte, wat zelfverzekerd
werd. Een keer op bezoek bij zijn zwager te Hoorn stelde deze voor om
de volgende dag per schip naar Amsterdam te gaan. De volgende morgen voorkwam Grootvader
zijn zwager, die met de schipper vertrouwd was en ging voor dag en dauw
op stap om met de
schipper af te spreken. Hij was gewoon gewend om de leiding te nemen...
... De tweede zoon Bernard, ook
opgeleid tot schoenmaker, zou oorspronkelijk ook in de zaak komen...
... De dochters Sophie,
Cornelia, Lena, Maria, Esther, Agatha, Bernardien en Gerarda kwamen tot
een goed huwelijk, de ene financieel wat gelukkiger dan de andere, maar
alle in de eigen soort. Antonia dirigeerde een Bejaardencentrum in
Amsterdam. Sophie en Cornelia hadden beiden een priesterzoon.
Waar de relatie van mijn moeder met
haar zus Hes blijkbaar zeer innig was,
logeerden wij vaak in dit keurige gezin. Antoon Kuijper,
een hartelijk doch zenuwachtig man, heeft samen met zijn vrouw
geploeterd om de manufacturenzaak welke, toen zij hem over namen, een neergaand
karakter vertoonde, omhoog te brengen. Zij zijn daar in geslaagd
terwijl hun zoon Jacob de
zaak van de Breestraat naar een
groot pand in de Hoogstraat over wist te brengen en er een ongekende
bloei in bracht.
Zoon
Martin begon een manufacturenzaak in een volkswijk te Rotterdam.
Hendrik maakte ik mee als
hotelhouder in Valkenburg waar zelfs een maal koningin Emma logeerde.
Cornelia, die veel ziek was,
zat financieel goed omdat haar echtgenoot een dubbele zaak dreef in
Volendam, nl. een kant
voor toeristen en een voor het
Volendamse publiek.
Sophie, die door haar huwelijk
de naam 'de Wolf' kreeg, had een pracht zaak in stoffen...
....
Nu rest nog Marietje, de oudste spruit
van 'Pa en Moe', zoals Hein Rijkenberg en Sophie Wubbe steeds genoemd
werden....
... meldde ik daar alreeds hoe
mijn vader mij toe vertrouwde, dat hij gebeden had om een vrouw te
krijgen, die op de H. Maagd leek en dat zijn gebed verhoord was; mijn
broer Louis sprak steeds over haar als een heilige vrouw.
Waarschuwde de dokter reeds
vroeg, dat zij een zwak hoofd had, zij moest veel meemaken. En als zij
hoorde dat het met een
van de kinderen niet goed ging
dan was het, zo zeide ze mij zelf of er in haar hoofd iets brak....
.... Was zij , buiten haar
schuld, niet zeer ontwikkeld, zij had een goed verstand en was een
wijze vrouw. Zij wist steeds met grote belangstelling te luisteren naar
al wat Vader vertelde. Zij leefde heel en al voor haar huishouding,
zodat zij door personeel en
anderen op handen werd
gedragen. Zij was echter het liefst thuis, goed voor iedereen. Zij
moest er niets van hebben om op de voorgrond gedrongen te worden. Waar
Vader zelf geen actief drankbestrijder wenst te zijn en toch niet
wilde, dat gemeend zou
worden dat hij tegen de beweging was, trad zij op zijn verzoek toe tot
de Maria vereniging en zou ook een vergadering mee
maken. De deftige dames, die presideerden, brachten de echtgenote van
Dr. Sicking onmiddellijk naar het podium met gevolg
dat mevrouw Sicking voortaan
alle vergaderingen vermeed. Was er een moeilijkheid waarvoor bijzondere
takt nodig was dan
bracht Vader die haar, ook in
dit opzicht, sterk waardeerde, de wijsheid op om van haar tactvol
optreden te profiteren...
.... Het is een eer zulk een
goede lieve moeder gehad te hebben.