weesp

            kroniek
alle
rooms
beroepen
Sjamaar
Godefrooij
Rijkenberg
Schuling
contact


terug

In 1711 trekken Adam, Neeltje met hun beide kinderen naar Weesp.

Bij de alteratie in 1578 werd het Roomsche Geloof uiteraard ook in Weesp verboden.
Maar dit heeft daar
nauwelijks invloed gehad. In die tijd vormden de bierbrouwerijen de spil van de Weesper economie.
Naast de bierbrouwerijen ontstaan er in het begin van de zeventiende eeuw ook jeneverstokerijen en en
brandewijnbranders.
Weesp blijft in eerste instantie de Spaanse koning steunen, maar ontkomt niet aan de druk van de Staten-Generaal.
Weesp is voornamelijk katholiek en de overgang naar het protestantisme gaat niet echt van harte.

De brouwerijen zijn bijna allemaal in handen van katholieken. Na de vrede van Munster (1648) blijven er maar vijf
brouwerijen over. Ook de brandewijnindustrie stort helemaal in door de vrede met Spanje.
Dit betekent veel armoede en deze wordt verergerd door het grote aantal vreemdelingen dat de stad binnen komt.
In 1672 wordt Weesp belegerd door de Fransen. Als die dreiging afgewend is, wordt besloten om vanWeesp een
echte vestingstad te maken.

Voor de katholieken braken de moeilijkheden pas na 1672 aan. Zij hadden gedurende de oorlog duidelijk laten
weten dat zij er van uit gingen dat de katholieke Fransen zouden winnen en zij dus in ere hersteld zouden worden.
Hierdoor was hun invloed op het stadsbestuur grotendeels verdwenen en hun positie dus aanmerkelijk verzwakt..

Door de afname van de export van vnl. bier en brandewijn verloren de katholieken dus ook in toenemende mate
hun nering en kapitaal.
En ook het stadsbestuur van een vestingstad zal zich minder snel laten omkopen terwille van het economisch
belang dan een handelsstad.
                                                                                                                                     bron o.a. A.J. Zondergeld -Hamer: Geschiedenis van Weesp

Het meest waarschijnlijk is dat Adam en Neeltje in Amersfoort contact hadden gehad met de vele (katholieke) bierbrouwers uit Amersfoort, die wisten dat Weesp ook veel bierbrouwerijen bezat en daar dus grondstoffen als granen en hop voor nodig hadden.
Adam gaat er voor Cornelis Kraijer,
molenaar werken. Dit zal een rijke katholieke molenaar geweest zijn, die iemand nodig had, die zijn boerderij kon leiden en daar ook huisvesting kreeg.Ze zullen ervaren hebben dat het daar dus al niet meer zo rooskleurig als ze in Amersfoort gehoord hadden.
En dat het er voor de katholieken steeds slechter wordt.


In 1712 wordt Petrus geboren, die al jong overlijdt. Daarna komen Maria - 1714, Gertrudis - 1716, Petrus, die Pieter wordt genoemd - 1719, Aaltje - 1721, Bernardus - 1723 en Sijmetje in 1726. Ook Sijmetje is al als kind overleden.


In 1728 sterft de vader van Cornelia en laat zijn vijf kinderen, veel land, goederen en geld na. Het land en de goederen worden verkocht en alle zonen en schoonzonen kregen hun deel.


Erflater, ANTHONY VAN GINCKEL
Verkoping: 03 - 02 - 1728 S. van Brinckesteyn AT 030b004

»   Huysinge met den hoff en schuur daar achter aan de Slijkstraat naast het Blockland Gasthuijs;
»   5 Vierendeel tabaxland buiten de Slijkpoort;
»   een gelatte tabaxschuur met 9 binten met spijlen, pomp en tabaxkist;
»   van de Leusderweg tot aan het steegje of Grote Haick noordelijk van het Pieters Gasthuis;
»   1 Dammaat tabaxland bij de voetstoot buyten de Slijkpoort even over de Papensteeg.

Erfgenamen, zoons en schoonzoons:
Jan van Ginckel (mr. kistemaker), gehuwd met Fennitje Rijcken van Stuijvenbergh;
Evert van Ginckel (bakker), gehuwd met Geertruijt Botter;
Adam Rijkenberch, gehuwd met Cornelia van Ginckel;
Hendrik Siecker, gehuwd met Margareta van Ginckel, tot Amsterdam;
Gijsbert van Waterdaal, gehuwd met Evertje van Ginckel.


Uit het notarieel archief Amersfoort

De situatie in Weesp is voor de katholieken wordt steeds slechter en dus trekken er steeds meer mensen weg. Zo ook zijn werkgever. De oudste zoon Teun, zal het vak van molenaar bij deze molenaar hebben geleerd en de andere zonen het werk op de boerderij.Maar ze zijn inmiddels ook wel toe aan vast werk en het stichten van een eigen gezin.
In Weesp is daar geen toekomst voor.

Verder naar het Noorden is er inmiddels nieuw land ingepolderd en daar is, net als in Amersfoort, een grote en geaccepteerde katholieke gemeenschap. Met het geërfde geld en een groot en gezond goed katholiek gezin zijn daar meer toekomstmogelijkheden.
Ze vertrekken naar de polder. Hun laatste kind Grietje wordt daar in 1730 in Purmerend geboren.

borg

akte van indemniteit
In de 17e en 18e eeuw waren er instellingen zoals de diaconieën of armenkamers van de verschillende kerkelijke
gemeenten en gasthuizen verantwoordelijk voor de zorg voor de inwoners van eigen stad of dorp.
Voor personen die van elders afkomstig waren bleven de beurzen meestal gesloten.
Men wilde voorkomen dat vreemdelingen ooit een beroep op steunverlening zouden doen.

Daarom was het praktisch overal verplicht om een bewijs, akte van indemniteit, te overleggen van de diaconie
of het gerecht van de plaats vanherkomst
dat deze de kosten van eventuele steunverlening zou betalen,
meestal voor een bepaalde periode.
Maar aangezien katholieken deze steun niet kregen moesten er twee mensen borg voor hen staan als ze wilden vehuizen

De familie Rijkenberg was overtuigd en praktiserend Rooms katholiek en kon in Weesp dus geen aktevan indemniteit krijgen.
Uit de stukken blijkt dat zijn werkgever inmiddels al naar Purmerend is verhuisd en daar iemand gevonden heeft, die met hem borg wil staan, zodat zijn knecht met gezin ook kan verhuizen.

Zijn werkgever schrijft dan een stuk waarin hij zelf en een ander beloven om borg te staan voor "sijn knegt" Adam Reijgenberg en zijn vrouw Cornelia van Kinkel met haar zes kinderen. Vervolgens wordt daar een officiële akte van gemaakt.


Op Den 10 ` September 1729 compareerden ter Secretarije der Stad Purmerende, Cornelis Kraijer en gerrit Lammertsz,beijde woonagtig binnen deese Stad, dewelke verklaarden haar Selven ts Stellen en te verbinden als Borger gesamentlijk ofte ieder van hen in ''t bijsonder, ten behoeve van de Stad Purmerende, namentlijk dat ingevallen Adam Reijgersbergen met Zijn Vrouw en 6 kinderen gedurende den tijt van 6 Jaaren binnen dese Stad woonende, en Zij in armoede kwamen te vervallen, zodanig dat de Selve moeste werden geadsisteert ofte gealimenteert. Zij comp" zodanige alimentatie edurende voorsz: tijd voor haar rekening nemend, en de Stad purmerende en allen anderen, daar van bevrijdende en ontheffende bij dezen.

Tot naar kominge van 't Gene Voor Staat, verbinden de comp"
hare persoon en goederen alsna regten.

gerret lambertse
Cornelis Karaije
Cornelis Baars, secretaris

 

Rooms katholiek in Purmerend

De situatie voor de rooms-katholieken na de Beeldenstorm was niet benijdenswaardig: hun kerk afgenomen en hun godsdienst

godsdienst verboden. Hun pastoor liep over naar de gereformeerden en moet een groot aantal afvalligen hebben meegenomen.
De overgebleven katholieken waren gedwongen ondergronds te gaan. In schuilkerken konden zij samenkomen.
Toch kregen zij in 1606 al een leidsman toegewezen in de persoon van pastoor Hulsius

Officieel verboden en in de praktijk gedoogd:
in 1624 gaf de schout toestemming een toestemming een ‘papiste kerke’ te bouwen voor.de ‘catholique superstitie’.
De ‘paapse stouticheden’ werden in de zeventiende eeuw getolereerd, mits aan twee voorwaarden werd voldaan.
»   De katholieken moesten de tolerantie afkopen.
»   Ze mochten geen aanstoot geven.
De eerste schuilkerk stond op dezelfde plaats als de nieuw te bouwen kerk in 1708.

Uit andere bronnen is bekend dat deze straat al voor 1650 Papenstraat werd genoemd, later veranderd in Kerkstraat.
In deze kerk - die tot 1858 dienst zou doen - moet voor kortere of langere tijd een orgel hebben gestaan.
We zijn hierover ingelicht door een aantekening in het notulenboek van de burgemeesters. In 1745 schreven zij letterlijk:
"Burgemeesters verstaan hebbende dat heden in de Roomse kerk alhier was geplaast een orgel, en dat het selve wierd
gebruijkt onder de godsdienst, is goetgevonden den priester en kerkmeesters aan te seggen het selve niet te gebruijken
en buijten de kerk te doen plaatsen en geen orgel bij haar te gebruijken".

                                                                                                                                                                                                                          Bron: museum Purmerend
met dank aan Rob Rijkenberg