![]() |

Waldglas
stukje
oud glas| "Die
Hütte
Sonnenschlag in
dem Walde des Kolsters Schlägl wurde 1639
durch den Glasmeister Christoph Reichenberger
errichtet. Dieser heiratete drei Jahre später Magdalena Landgraf, Witwe nach einem Fähnrich des Herlbergischen Regiments, der bei Hameln in Braunschweig gefallen war.Die Frau war wohl bemittelt und hatte ihrem Manne, der in Schulden steckte, 1000 fl geliehen, die sie für ihre zwei Söhne Georg und Johannes verschreiben ließ. Im Jahre 1654 brachte der ältere Georg Landgraf die Hütte an sich. Unter ihm nahm die Hütte einen guten Aufschwung; er erzeugte Glasperlen, die er in die Türkei verkaufte. Ein Wappenglas für den Abt Michael ließ er sich auf einer Winterberger Hütte anfertigen. Er starb im Jahre 1691 und hinteließ 11 Kinder." 1581: Auf der Herrschaft Pfraumberg wird die Hütte des Reichenberger in Strübl erwähnt. 1637: Achaz Reichenberger, Glasmeister des H. Siegmund Friedrich v. Salburf, Nachbar des Stifts Schlägl, schrieb dem Probste des Stiftes, Martin, er wolle auf den Grüden des Stiftes eine Glashütte errichten, er verlangte Freiheit von der Robot, die erbauung von Häusern für die Glaserleute und die Zuweisung eines Aschenwaldes; dafür wolle er als Zins Glas im Werte von 4 - 5 fl jährl. liefern. Er verlangte die Ausstellung eines Hüttenbriefes für sich und seine Nachkommen. Es wurde abgewiesen 1639: Christoph Reichenberger hatte die Hütte Sonnenschlag in den Wäldern des Stiftes Schlägl erbaut. Er heiratete dann die Witwe Magdalena Landgraf. 1705: Adam Reichenberger, Glasmacher in Eisenstein, stritt und raufte mit dem Glasmacher Georg Götzinger. 1715: Die Eisensteiner Pfarrmatrik nennt die Eheleute Glasmacher Lorenz u. Ursula Reichenberger 1735: Des Verfassers dritter Urgroßvater Friedrich Blab in Arnschwang bei Furth im Wald (1705-1756) hatte aus seiner ersten Ehe mit Anna Maria Reichenberger, Tochter des Kaspar u.d. Regina Reichenberger, Fürstenhütte bei Passau im Jahre 1735 den 1736 geborenen Sohn Johann Georg (1736 - 1814) der sein zweiter Urgroßvater wurde. Die Daten aus dem Stammbaume Blab (jetzt Blau) befinden sich im Pfarramte Arnschwang. |
Waldmünchen - Schmalzgrub
brok glas
glasgravure
kralen
Op
2 februari 1695 sterft de vader van Adam en drie weken later de zuster
van zijn vader, die ook in de Glashuette werkt en woont. Hij was pas 39
jaar.
Zijn oudere zuster Margaretha
Reichenbergrin, ongehuwd, glasmeester en mede-eigenaar van de
Glashuette sterft drie weken later.
Was
het een besmettelijke ziekte? Een epidemie? ... In ieder geval is er
geen opgeleide opvolger.
Ook het feit dat zijn
echtgenote de Glashuette verlaat en nog geen drie maanden later op 30
mei 1695 hertrouwt zijn moeder met Georg Koch, de zoon van een boer in
Untergrafenried, in dezelfde streek, ook tegen de grens aan, wijst erop
dat de Glashuette al snel wordt overgenomen.
Adam
is dan net 10 jaar.
Toen Adam volwassen werd zal hij de
erfenis van zijn vader gekregen hebben en is hij, samen met een vriend
de wijde wereld in getrokken. Zij zullen zeker ook de vele (godsdienst)
oorlogen hebben willen ontvluchten. Hij zal opgegroeid zijn als boer,
maar zijn stiefvader zal zijn eigen opvolger gehad hebben.
Hij
kwam in Amersfoort terecht. Daar kunnen meerdere redenen voor geweest
zijn. Amersfoort was in die tijd een welvarende handelsstad met een
gegoede burgerij.
De jonge mannen zullen welkom
geweest zijn.
Ook was Amersfoort in die tijd - zelfs
voor de als tolerant bekend staande Lage Landen - een tolerante stad.
Protestanten van verschillende richtingen, katholieken, joden; in
Amersfoort leefde men naast elkaar binnen de poorten en religies, die
officieel niet toegestaan waren werden, zeker in hogere en rijke lagen
van de bevolking, minstens gedoogd.
Hij komt
er Anthony van Ginckel tegen, een rijke tabaksteler met veel grond en goederen en ook
Rooms Katholiek.
Dat hij met
zijn dochter in het huwelijk gaat treden is dus een mooi einde van zijn
reis en het nieuwe begin van een groot geslacht.
De eerste jaren blijven ze in Amersfoort en krijgen er twee zoons, Teun en Michiel, die beiden in de Elleboogkerk worden gedoopt.

De
Elleboogkerk aan de Lange Gracht in Amersfoort. In deze Kromme
Elleboogsteeg was een schuilkerk.
Het
katholicisme was in die tijd verboden, maar het feit dat het gebouw als
kerk functioneerde, was te zien aan de vis op de stoep voor
de deur en ook algemeen bekend.
Nadat
de katholieken weer een eigen kerk mochten hebben werd er door
Waterstaat aan de andere kant
van de steeg een kerk
met toren gebouwd. En het werd
de Kerk van O.L.Vrouw ten Hemelopneming.
In
1998 werd hier het Armandomuseum gevestigd. In oktober 2007 brandde de
kerk in zijn geheel af.

Het meest
waarschijnlijk is dat Adam bij zijn schoonvader is gaan werken. Op de
tabaksplantages was genoeg werk. Boerenwerk, dat hij kende.
In de tabakshandel ging veel geld om en het was een vrij beroep, dus
m.n. in handen van Joden en Katholieken.
Maar hij zal het
bedrijf niet alleen kunnen erven. Er zijn meer kinderen.
Daarom zullen ze besloten hebben om
toch met hun beide kinderen te vertrekken naa een plaats waar ze een
zelfstandig bestaan op kunnen bouwen. Via Weesp komen ze tenslotte in
Purmerend terecht.
In 1746 overlijdt Adam Rijkenberg en in 1758 overlijdt Neeltje van Ginckel zijn weduwe. Ze zijn beiden in Purmerend begraven.
tabaksschuur
in Amersfoort