schoen
 

In de Gekroonde Laars
van Rijkenberg
de Eerste Noordhollandsche Klomplaarzenfabriek


Jacob Pieterszoon Rijkenberg
trouwde in 1793 in Purmerend met Marijtje Dek.  Zij hadden samen een
herberg op Vloyenburg.
Hij opende ook een
schoenenzaak in de Peperstraat, in het centrum en dit was de eerste officiële schoenenwinkel in Purmerend.
Drie zonen bleven in leven
Pieter 1796 koopman in groente en fruit
Herman 1807 schoenmaker
Jacob 1800 koekbakker

Zijn zoon Herman, * 1800,
schoenmaker trouwde met Marijtje de Wolf en nam de zaak over.Zijn dochter Anna trouwde met Hendrik Lindeboom, die ook schoenmaker was. Ze bleven allemaal in Purmerend
Herman en Marijtje zetten de schoenenzaak dus voort. Drie van hun zoons werden opgeleid in het vak.
Maar uiteindelijk was Hein Rijkenberg, de oudste van die drie degene, die de leiding kreeg en de zaak over nam.

En de zaak floreerde. Grootvader werkte met 23 knechten. Het was dé zaak van Purmerend. Op de marktdagen kwamen de marktgangers niet enkel kopen, maar brachten vaak zakken met kapotte schoenen mee ter reparatie en dat gaf vrijwel zuivere verdienste. "Dien gouden tijd zal Holland nooit vergeten". Deze regel slaat op het feit dat het Noordzeekanaal nog niet in exploitatie was. Toen kwamen ook Noorse schepen langs het Noord Hollands Kanaal naar Amsterdam gevaren en zij bleven dikwijls stil liggen de Purmerender Zwaaikom. Dat waren extra goede klanten voor schoenen en laarzen. Bij grootvaders gouden huwelijksfeest werd dan ook gezongen

wijze: In de Nes
In de Laars, daar moesten ze wezen,
In de Laars, daar moesten ze zijn.
't Stond op zijn adres te lezen:
"Leer en schoenen, grof en fijn".
Allemaal Noren kwamen er horen,
Kochten er schoenen en leer naar hun zin.
O, wat een gewin. O, wat een duiten kwamen daar in.

De zelfverzekerdheid van Grootvader heeft hem wel parten gespeeld. In de laatste jaren dat hij de zaak dreef begon het machinale werk op gang te komen. Hij wilde hier niets van weten. Zijn handwerk was prima. Zoon Bernard, die in de zaak zou komen zag het beter, maar hij kreeg geen schijn van kans. En toen Bernard mat Agatha Kuijper trouwde en de zaak over nam, bleef vader Hein elke dag op de zaak komen, Bernard moest noodgedwongen knechts ontslaan, die zich dan als kleine baasjes vestigden en klandizie af namen. Bernard vroeg om tenminste machinaal werk te mogen verkopen, maar dat was bij Vader Hein tegen het zere been. De zaak liep steeds achteruit en Vader verweet deze achteruitgang aan zijn zoon . Dit duurde tot Vaders broer Gerrit Rijkenberg hem een keer stevig aansprak: "Hein wil jij je zoon dood hebben?" En toen hij verbaasd werd aan gekeken: "Zie je niet hoe hij er uit ziet en dat omdat Jij gelijk wil hebben en hem zijn gang niet wilt laten gaan". Het sloeg in en Grootvader liet zich minder op de zaak zien. Met dat al was de mogelijkheid om het 'Schoenfabriek', zoals de zaak zich noemde, tot een machinaal bedrijf te vormen, van de kaart. Bernard heeft de zaak in stand weten te houden, maar moet zwaar geleefd hebben in zijn gezin met negen dochter en maar één zoon. Bernards zoon Hein moest ondanks de hulp, welke Oom Herman Rijkenberg (die liquidatie wist te voorkomen) hem bood, het grote familiepand verlaten en zich in een kleiner pand vestigen.

Klomplaars als specialiteit

laars
Klomplaarzen waren de specialiteit van Rijkenberg. Dit waren klompen met vetleren schachten, die met een lederen band of een blikken strip waren vastgespijkerd. Afnemers waren boeren voor het maaien van rietschoten en rietsnijders.
Deze klomplaarzen zelfs werden geëx­porteerd naar o.a. Zuid Amerika. In 1920 namen zijn zoon Hein en zijn vrouw Riet de zaak op het adres Peperstraat 34 over van vader Bernard Rijkenberg. Grootvader ging boven de zaak wonen het gezin woonde achter de winkel. Het pand op nummer 34 liep helemaal door tot de laatste der zeven stegen, tot de Singelgracht die toen nog niet gedempt was. Op de eerste verdieping was de zogeheten leerkamer voor de opslag van allerlei soorten leer, leesten enzovoort. Op de tweede verdieping werden de schoenen en klomplaarzen gemaakt en reparaties verricht’.


De zaak in de Peperstraat 18, genoemd: 'In de Gekroonde Laars' is op 26 juni 1934 failliet verklaard.
Eigenaar is de heer Henricus Paulinus Rijkenberg, wonende Peperstraat 8.
Op 11 oktober 1934 is er een rechtszaak voor de lopende vorderingen van schuldeisers.
Er verschijnt niemand. Er is te weinig aan roerende en onroerende goederen om de schulden te betalen
bron: archief Haarlem


Het is zo typerend dat bovenstaande in alle interviews en verhalen door de fam. Rijkenberg nooit genoemd is.
In het verhaal van de pastoor (
in het paars - zie 'Purmerend' ) staat alleen dat Oom Herman een liquidatie wist te voorkomen.

In 1936 volgde de tweede verhuizing, nu naar Bierkade 8. Rond deze tijd begon de vader van Hein met de verkoop van klompen en laarzen in de Weeshuissteeg.
Tijdens de vee- en warenmarkt op dinsdag was er genoeg klandizie van boeren en 'buitenlui'. Jos Rijkenberg herinnerde zich van de markt het volgende: 'Om vier uur ’s morgens stonden we op en om zes uur kwamen de eerste klanten. Niet alleen klompen, ook leren riemen, tuigen, hoofdstellen afstaartleertjes verkochten we'.

achter dit huis  is de schoenmakerijhuisrietadv

Nog voor de oorlog verhuisde het gezin Rijkenberg naar de Kolkstraat, terwijl de werkplaats in de Hoornse buurt werd gevestigd.
Bij de doorbraak van de oude stad naar Overwhere moesten de woningen in de Hoornse buurt worden gesloopt. De winkel werd verplaatst naar Weerwal.
Marktkoopman
Op dinsdag bleef Hein een vertrouwd gezicht in de Weeshuissteeg. Ook de markt op donderdag in Schagen werd ruim 25 jaar bezocht.                                                     
Hein en Riet
Na de handel werd in een café nog lang nagepraat onder het genot van een jonge borrel.
Naast de klompen en laarzen kwamen ook fuiken, marktstokken en paardentuig in het assortiment. Hein stond in zomer van 2003 nog op de markt.
Hij vertelde:  "Sinds het verdwijnen van de koeien van de markt is het allemaal wat minder geworden".

Zoon Ben heeft in 1993 het familiebedrijf in de Weeshuissteeg nog voortgezet, maar de zaak na enkele jaren beëindigd. Reparatiewerk werd steeds minder.
Vele stappers haalden nooit de schoenlapper: elk jaar veranderde het modebeeld en dus werden de oude weggegooid. Aan sportschoenen viel voor de schoenhersteller al helemaal niets te verdienen. Hein repareerde nog gebarsten klompen door er een ijzeren strip om te spijkeren. Maar dat waren andere tijden, een ambacht sterft uit. Vroeger waren de schachten van leer, tegenwoordig is het rubber


De klomplaars: een Purmerends product - minder bekend en beroemd dan het Purmerends plateel - maar vernuftig gemaakt en praktisch in gebruik, een vinding waar de familie Rijkenberg trots op kan zijn.

Naast de gegevens van pastoor Sicking heb ik hier ook stukken gebruikt van het stuk,
geschreven door
Jack Otsen en Jo Haen - van Langen
in het blad van de vereniging Historisch Purmerend in maart 2004
met dank voor het gebruik


In het gegevensbestand is te zien dat er meer Rijkenbergen schoenmaker waren en verschillende daarvan ook in Purmerend.
Zie: "Alle Personen"


Jopie

uit: Museum: "Jopie Huisman" in Workum