Johannes Wilhelmus Hendrikus Sjamaar
werd op 7 februari 1925 in Zuilen geboren.
Hij was de
tiende in een 'goed katholiek' gezin met 12 kinderen. Een oudere broer
van hem was al bij de Augustijnen ingetreden toen Johan net 7 jaar was.
Deze broer was een soort heilige voor zijn ouders en zijn broers en
zussen. Het was geen intellectueel gezin. Verder leren, boeken lezen,
werd zeker niet aangemoedigd en was al helemaal niet nodig voor de
meisjes.

Vader had zichzelf in de praktijk
omhoog gewerkt. Vader zat in het kerkbestuur, maar Moeder was de
drijvende kracht en zij was ook degene, die er voor zorgden dat alle
godsdienstige verplichtingen tot in details werden uitgevoerd en ook
verder voedde haar kinderen streng op. Ieder had zijn taken en
plichten. Ongehoorzaamheid kwam bij haar niet voor.
Maar het was ook een
vrolijk gezin, spelletjes, toneelstukjes, maar ook uitjes met z'n allen
en daarvoor een auto huren.
En eind jaren '20 was er al een fototoestel
in huis waar - uiteraard spaarzaam - gebruik van gemaakt werd.
Johan was pas 15 jaar toen hij naar
Culemborg ging om daar in de gemeenschap van de Augustijnen te leren
hoe hij broeder moest worden. Zijn vorming als religieus voltrok zich
dus in de praktijk van leven en werken. In 1941 legde hij zijn
tijdelijke geloften af en werd 'ingekleed'.
Als kloosternaam kreeg hij de naam van
zijn vader. En dat werd dus 'broeder Ernesto'.
De
religieuze professie is het afleggen van geloften ten overstaan van de
overste en de gemeenschap. In de orde van de
Augustijenen is de professieformule voor de eerste (tijdelijke)
professie als volgt geformuleerd:
Ik verzaak aan de
wereld en beloof een leven van bekering en communio te leiden, dat
vooral gekenmerkt
wordt door armoede, gewijd celibaat en gehoorzaamheid,volgens het evangelie van Christus en de
levenswijze van de apostelen, volgens
de Regel van de heilige Augustinus en de Constituties van onze Orde, ten
overstaan van U, Vader, en mijn medebroeders, voor drie jaar. |
13 november 1944 deed hij zijn eeuwige professie.
Na
10 jaar in verschillende Augustijnenkloosters te hebben geleefd en
gewerkt werd hij in 1950 benoemd voor de Augustijnenmissie in Bolivia.
Ook daar moest hij in de praktijk leren wat nodig was, tot zelfs de
taal toe.
Met grote toewijding en in alle eenvoud
heeft hij op verschillende plaatsen in het gebied van Yungas en in La
Paz zorg gedragen voor huis en huishouden van de kleine gemeenschappen
van medebroeders. Hij was er zich diep van bewust, dat die zorg van
groot belang was voor hun leven en werken. Zeker in zo'n vreemd land
moest de gemeenschap een thuis kunnen zijn. Wanneer ze van vaak
moeilijke en lange tochten langs de kleine Indianengemeenschappen in
het bergland weer op hun basis terug keerden moesten ze in een
huiselijke en vriendschappelijk sfeer weer op verhaal kunnen komen. De
taarten en de speculaas, die hij bakte zijn legendarisch geworden.
Zijn
werk bracht hem vanzelfsprekend in contact met de mensen uit Bolivia.
Omwille van hen heeft hij zijn hart aan Bolivia verpand.
Die eenvoudige
mensen, die zich wisten aangesproken door zijn eenvoudige goedheid,
door zijn zorg, door zijn geloof en door zijn vroomheid, zijn in groten
getale afscheid komen nemen toen hij zijn 68e verjaardag vierde en de
dag erna vertrok.
uit: "Eenvoudige goedheid en
dienende zorg" memento memoriam door:
Eugène Roebroeck:
Hij
was zeer geliefd bij zijn medebroeders en bij de mensen in Bolivia.
Maar
hij was ook zeer geliefd bij al zijn familieleden en zeker bij al zijn
neven en nichten. Deze man straalde goedheid,
geluk, tevredenheid uit.
Tijdens zijn verloven in Nederland
was hij uiteraard het meest bij zijn jongere broers en zusters, maar ik
herinner me de blijdschap als hij een dagje bij ons kwam.
Hij bracht prachtige cadeaus mee, zoals een panfluit en zo'n gebreide
indianenmuts.
Maar hij
bracht vooral zichzelf mee, een man vol spannende en leuke
verhalen, een man, die zelfs mijn moeder vrolijk kreeg en die met haar de keuken in dook (haar
heiligdom waar niemand zich ooit mee mocht bemoeien) en dan
hoorde je ze samen lachen en recepten en keukentips uitwisselen.
En de "Boliviaanse Schotel" "- die officieel "Plate de Fidelos" heette
- was voor ons hele gezin een lievelingsrecept. Het was een
spaghettischotel met gekruid en gekruimeld gehakt met o.a kaas, krenten
en rozijnen. In de tijd werd er nog amper geëxperimenteerd in
de keuken. En juist daarom was dit zo geweldig.
De ontmoetingen met deze man horen
tot de beste herinneringen in mijn leven.
In grote gezinnen kwam het regelmatig
voor dat de oudste kinderen al volwassen waren als de jongsten werden
geboren. En als ze allen volwassen zijn trekken
de oudsten - die dan dikwijls al volwassen kinderen hebben - minder
naar de jongeren,
die dan net in de kleintjes
zitten. En andersom Mijn beide ouders zij een goed
voorbeeld: Mijn vader
was één van de oudsten. Hij was gek op zijn
familie, maar als zijn kleine broertje Johan met verlof van de missie
kwam
dan ging deze uiteraard bij een ander klein broertje, met wie hij was
opgegroeid, logeren. Mijn moeder was de jongste. Zij zag al haar
familie regelmatig, maar de oudsten - door wie ze was opgevoed - als
een plicht.
Maar haar jongste broertjes - met wie ze was opgegroeid - zag ze heel
graag. En Oom Herman - als pater Mattheus in de missie - logeerde
zelfs zijn hele verlof bij ons.
|
|
door Simon van Oom Wim:
Een Pater of priester in
de familie was in die tijd een groot statussymbool. Voor een Broeder
gold dat ook, zij het toch in wat mindere mate. Ik weet nog goed dat ik
er net als mijn vader erg trots op was maar liefst 2
Heerooms te hebben. Geestelijken in de familie was ook een soort
garantie om op een wat gemakkelijkere toegang tot de
hemelpoorten. Ik hoor een van mijn tantes nog tegen mijn vader zeggen
dat zij niet hoefde te zingen of te bidden in de kerk. Voor het zingen
had je immers het koor en om te bidden had ze twee broers
in het klooster!! Als je als
jongen wat minder slim was, had de katholieke kerk heel wat minder last
van het zoeken naar je ‘roeping’. Je moest
het celibaat dan wel heel nadrukkelijk zelf willen en
priester worden kon je wel vergeten. Overigens werden de wat simpelere
van geest regelmatig ook met enige aandrang van thuis bewogen tot het
‘horen’ van een roeping tot het
klooster. Zo werden vroeger problemen van de wat minder begaafden, maar
net niet gestoorde familieleden opgelost. Hoewel
Ome Johan nadrukkelijk niet tot die categorie behoorde, mompelde mijn
vader, die echt gek was op zijn broer, regelmatig dat het toch maar erg
goed was dat zijn broer Johan in het klooster was gegaan.
Volgens hem had hij het in de ‘echte’wereld niet
gered. Van zijn broer Ernest vond hij dan weer
dat die geen pater had moeten worden, maar gewoon een gezin zou moeten
hebben gehad. Voor Ernest had hij wel enige achting,
maar zijn echte genegenheid was gereserveerd voor Johan en Frans: zijn
jongste broers. Als
Ome Johan bij ons thuis kwam logeren was dat, ondanks onze kleine
behuizing, altijd groot feest. Zijn (soms wat erg lange) aanwezigheid
(vaak wel 3-4 weken) verstoorde op een prettige manier de
sleur in het ouderlijke gezin. Iedereen kreeg advies enluisterde met
plezier naar de sterke verhalen over zijn kindertjes in Bolivia.
In mijn latere herinneringen werd mij wel steeds duidelijker dat zijn
eenvoudige wereldbeeld ook tot wat simpele oplossingen van vaak toch
ingewikkeldere vraagstukken leidde, maar dat deed geen
afbreuk aan de oprechtheid waarmee hij in de wereld stond.
In 1994 heb ik hem samen met mijn ouders nog eens in het klooster
opgezocht. Het was het allerlaatste bezoek.
Wat mij daarvan erg is bijgebleven is de vreugde die hij beleefde aan
het vooruitzicht al heel binnenkort in de hemel te komen. Wat dat
betreft had hij net zo’n vast geloof als zijn
moeder: onze oma Sjamaar. Met een glans van vreugde en trots op zijn
gezicht wees hij ons de plaats van zijn graf in de kloostertuin.
Daar stonden allemaal identieke kruizen en het was duidelijk waar de
voorlaatste begraven was. Ome Johan bleek duidelijk ingenomen met de
mooie plaats, waar een boom op het heetst van de dag de
nodige schaduw zou gaan brengen. Ronduit ontroerend!!!.
|
Na ruim 42 jaar in Bolivia kwam hij in 1993 terug naar Nederland naar
Mariënhage in Nederland.
Dat is maar kort geweest. In januari 1994 is hij overleden.