![]() |

Adrianus
Bernardus Kemkes werd op 8 januari 1924 geboren als vijfde kind en
oudste zoon van Jo Godefrooij en Theo Kemkes.
Toen hij zeven jaar zette zijn moeder haar echtgenoot
de deur uit. Het jongste kind was al van Jo Smits,
de man met wie ze in 1933 trouwde. En met wie ze nog twee kinderen kreeg.
|
Het bolsjewisme
is de Russische variant van het
communisme, die in 1917 in Rusland aan de macht was gekomen.
Zeker door de Christelijke kerken werd het bolsjewisme als het grootste gevaar voor de Christelijke beschaving gezien. Zij hebben immers het orthodoxe Christendom vernietigd. Veel mensen, die de kant van de Duitsers kozen deden dit vanuit de kerk en het geloof en wisten toen niet dat Hitler en zijn aanhang daar de joden bij zouden betrekken. |
Hij werd 16 jaar in 1941 en deed wat van hem
verwacht werd. Hij schreef hij zich in voor het 'Legioen Nederland' en nog
dezelfde maand wordt hij met 900 andere rekruten naar een S.S. kazerne in
Duitsland gebracht om daar een
basisopleiding te krijgen. Na vier maanden naar Oost Pruisen voor zijn
infanterieopleiding.
Hij verklaart dat hij aan het eind van zijn opleiding de 'Legioeneed'
heeft afgelegd en geen eed aan de Führer.
In januari 1942 werd hij met zijn legioen bij het
Russische Front bij Leningrad ingezet. Na drie maanden werd hij door een
granaatsplinter verwond en lag hij 7 maanden
in een ziekenhuis in Libau in Estland. Na zijn
herstel kreeg hij een onderscheiding en mocht zes weken naar Nederland.
Daarna naar Kroatië.
Toen in oktober 1943 het Legioen Nederland
opgelost werd in de S.S. divisie Nederland heeft hij geweigerd om de eed aan
de Führer af te leggen.
De divisie werd direct daarna weer naar het front
gestuurd. Hij kreeg er een aanval van moeraskoorts en heeft twee en halve
maand in het hospitaal achter het front gelegen. Genoeg hersteld kon hij
weer terug naar het front, maar al snel daarna werd hij zwaar gewond en werd
zijn hand tot boven de pols afgezet.
In april 1944 was hij zover hersteld dat hij naar
een militair ziekenhuis in Nederland kon worden vervoerd, dat was op 't Loo
in Apeldoorn.
Maar in augustus 1944 werd hij naar een ziekencompagnie in Oostenrijk
gestuurd. Toen Duitsland capituleerde werd hij door de Engelse Field
security naar Kamp Wolfsberg bij Wenen over gebracht. Van daar uit heeft hij
vele malen via allerlei wegen geprobeerd, o.a. via de kerk en via de
Nederlandse consul om naar
Nederland te mogen om daar berecht te worden.
Zijn zus Sjaan kwam er in 1948 achter dat hij pas naar Nederland terug zou
mogen als daar familie om vroeg en er familie bereid was om hem op te
vangen.
Zijn moeder, die nooit gestraft was en
van de Nederlandse overheid een onderduikadres had gekregen, zijn
moeder, die al die
jaren zijn salaris en nog heel veel extra had ontvangen, had nooit
meer iets laten horen, niet op zijn smeekbede om wat geld,
zodat hij in dat kamp een opleiding kon volgen en al helemaal niet
om hem thuis te krijgen.
In 1948 werd hij in
Kamp Vught gedetineerd en daarna overgebracht naar Laren.
Eind december werd er een gunstig rapport over
hem uitgebracht en mag hij het kamp verlaten.
Hij is bijna acht jaar weg geweest.
In zijn dossier zijn veel brieven aan zijn moeder gevonden.
Het zal voor altijd een vraag blijven waarom deze
vrouw het nodig heeft gevonden om de brieven van haar zoon aan het tribunaal
en daarmee aan de openbaarheid af te
geven.
In de eerste jaren zie je brieven van een jongen, die het spannend en dapper
van zichzelf vindt dat hij soldaat mag zijn, dat hij tegen de Goddeloze
communisten gaat vechten en ook
dat hij alles, maar dan ook alles voor zijn moeder wil en zal doen. En hoe
trots zijn moeder zal zijn op al die onderscheidingen, die hij krijgt.
Pas in de laatste jaren, bijv. nadat hij met verlof thuis is geweest en
ontdekt heeft hoeveel spanningen er in het gezin zijn, hoe zijn vrienden uit
de verkennerij zich van hem afkeren,
pas dan zie je de vraagtekens bij hem komen, maar ook zijn onmacht, zijn
niet begrijpen, de vragen, die hij aan zijn moeder wil stellen,
maar niet durft.
Hij is er nooit meer echt bovenop gekomen. Met
ijzeren wil en discipline behaalt hij (met één hand) alsnog de nodige
diploma's, zodat hij een fotozaak kan openen -
de liefde voor de schoonheid en het fotograferen,
die hij voor de oorlog al met zijn zwager deelde. Het is zijn redding
geweest dat hij een vrouw heeft getrouwd,
die hem werkelijk lief had, die hem over zijn nachtmerries liet praten, die
hem goede kinderen schonk.
Hij heeft nooit om een prothese gevraagd, want dan had hij moeten vertellen
waar hij zijn hand verloren had. Niemand mocht dat weten, ook zijn kinderen
niet.
Ik hoop en vertrouw erop dat als zijn (klein)kinderen dit verhaal ooit
lezen, dat ze dan trots zullen zijn op hun (voor)ouders, Ad en Riek, die op
de puinhopen van het verleden altijd zijn blijven werken aan de toekomst van
hun kinderen en hun liefde voor elkaar