ad
 

kroniekwo

alle
rooms
beroepen
Sjamaar
Godefrooij
Rijkenberg
Schuling
contact

terug
adAdrianus Bernardus Kemkes werd op 8 januari 1924 geboren als vijfde kind en oudste zoon van Jo Godefrooij en Theo Kemkes. Toen hij zeven jaar zette zijn moeder haar echtgenoot de deur uit. Het jongste kind was al van Jo Smits, de man met wie ze in 1933 trouwde. En met wie ze nog twee kinderen kreeg.
Ze verhuisden naar Utrecht.
Toen Addy van de lagere school kwam moest hij gaan werken bij Simon de Wit op de Biltstraat en 's avonds ging hij naar de Handelsavondschool.
Zijn vrije tijd besteedde hij aan de verkennerij. Uit zijn brieven en verklaringen blijkt dat hij daar het gelukkigst is geweest.

Zijn moeder was fanatiek lid van de NSB, de stiefvader zat in het Duitse leger. Hun kinderen werden dus in deze sfeer opgevoed.
Alleen de twee oudsten, Bep en Sjaan, waren oud genoeg en hadden zoveel inzicht
dat zij zich hiervan af keerden, maar zij konden dat ook omdat zijn inmiddels uit huis waren en een partner hadden, die hen steunde.
Voor Ad werd het vanzelfsprekend dat hij als goed katholieke gehoorzame jongen tegen de Bolsjewisten zou gaan vechten

Het bolsjewisme is de Russische variant van het communisme, die in 1917 in Rusland aan de macht was gekomen.
Zeker door de Christelijke kerken werd het bolsjewisme als het grootste gevaar voor de Christelijke beschaving gezien.
Zij hebben immers het orthodoxe Christendom vernietigd.
Veel mensen, die de kant van de Duitsers kozen deden dit vanuit de kerk en het geloof en wisten toen niet dat Hitler
en zijn aanhang daar de joden bij zouden betrekken.

Hij werd 16 jaar in 1941 en deed wat van hem verwacht werd. Hij schreef hij zich in voor het 'Legioen Nederland' en nog dezelfde maand wordt hij met 900 andere rekruten naar een S.S. kazerne in Duitsland gebracht om daar een basisopleiding te krijgen. Na vier maanden naar Oost Pruisen voor zijn infanterieopleiding.
Hij verklaart dat hij aan het eind van zijn opleiding de 'Legioeneed' heeft afgelegd en geen eed aan de Führer.

In januari 1942 werd hij met zijn legioen bij het Russische Front bij Leningrad ingezet. Na drie maanden werd hij door een granaatsplinter verwond en lag hij 7 maanden in een ziekenhuis in Libau in Estland. Na zijn herstel kreeg hij een onderscheiding en mocht zes weken naar Nederland. Daarna naar Kroatië.
Toen in oktober 1943 het Legioen Nederland opgelost werd in de S.S. divisie Nederland heeft hij geweigerd om de eed aan de Führer af te leggen.
De divisie werd direct daarna weer naar het front gestuurd. Hij kreeg er een aanval van moeraskoorts en heeft twee en halve maand in het hospitaal achter het front gelegen. Genoeg hersteld kon hij weer terug naar het front, maar al snel daarna werd hij zwaar gewond en werd zijn hand tot boven de pols afgezet.

In april 1944 was hij zover hersteld dat hij naar een militair ziekenhuis in Nederland kon worden vervoerd, dat was op 't Loo in Apeldoorn.
Maar in augustus 1944 werd hij naar een ziekencompagnie in Oostenrijk gestuurd. Toen Duitsland capituleerde werd hij door de Engelse Field security naar Kamp Wolfsberg bij Wenen over gebracht. Van daar uit heeft hij vele malen via allerlei wegen geprobeerd, o.a. via de kerk en via de Nederlandse consul om naar
Nederland te mogen om daar berecht te worden.
Zijn zus Sjaan kwam er in 1948 achter dat hij pas naar Nederland terug zou mogen als daar familie om vroeg en er familie bereid was om hem op te vangen.

Zijn moeder, die nooit gestraft was en van de Nederlandse overheid een onderduikadres had gekregen, zijn moeder, die al die
jaren zijn salaris en nog heel veel extra had ontvangen, had nooit meer iets laten horen, niet op zijn smeekbede om wat geld,
zodat hij in dat kamp een opleiding kon volgen en al helemaal niet om hem thuis te krijgen.

In 1948 werd hij in Kamp Vught gedetineerd en daarna overgebracht naar Laren. Eind december werd er een gunstig rapport over hem uitgebracht en mag hij het kamp verlaten.
Hij is bijna acht jaar weg geweest.
In zijn dossier zijn veel brieven aan zijn moeder gevonden.

Het zal voor altijd een vraag blijven waarom deze vrouw het nodig heeft gevonden om de brieven van haar zoon aan het tribunaal en daarmee aan de openbaarheid af te geven.
In de eerste jaren zie je brieven van een jongen, die het spannend en dapper van zichzelf vindt dat hij soldaat mag zijn, dat hij tegen de Goddeloze communisten gaat vechten en ook
dat hij alles, maar dan ook alles voor zijn moeder wil en zal doen. En hoe trots zijn moeder zal zijn op al die onderscheidingen, die hij krijgt.


Pas in de laatste jaren, bijv. nadat hij met verlof thuis is geweest en ontdekt heeft hoeveel spanningen er in het gezin zijn, hoe zijn vrienden uit de verkennerij zich
van hem afkeren,
pas dan zie je de vraagtekens bij hem komen, maar ook zijn onmacht, zijn niet begrijpen, de vragen, die hij aan zijn moeder wil stellen,
maar niet durft.

Hij is er nooit meer echt bovenop gekomen. Met ijzeren wil en discipline behaalt hij (met één hand) alsnog de nodige diploma's, zodat hij een fotozaak kan openen - de liefde voor de schoonheid en het fotograferen, die hij voor de oorlog al met zijn zwager deelde. Het is zijn redding geweest dat hij een vrouw heeft getrouwd, die hem werkelijk lief had, die hem over zijn nachtmerries liet praten, die hem goede kinderen schonk.

Hij heeft nooit om een prothese gevraagd, want dan had hij moeten vertellen waar hij zijn hand verloren had. Niemand mocht dat weten, ook zijn kinderen niet.

Ik hoop en vertrouw erop dat als zijn (klein)kinderen dit verhaal ooit lezen, dat ze dan trots zullen zijn op hun (voor)ouders, Ad en Riek, die op de puinhopen van het verleden altijd zijn blijven werken aan de toekomst van hun kinderen en hun liefde voor elkaar