![]() |

Omdat ik - als ervaringsdeskundige - weet dat heel veel mensen vinden dat je het verleden moet laten rusten. En zeker de mensen, die zich daarbij betrokken voelen nemen het je kwalijk als je dit niet doet. Helaas... dit motiveert mij des te meer om ook de achterkant van wat meestal 'de waarheid' wordt genoemd te laten zien:
In 1963 ben ik bij een pater geroepen, die mij – op verzoek van mijn moeder – weer eens tot de orde moest roepen. Dit keer was het echter iets nieuws, want ik vloekte tegen mijn vader, dat hij zich eens met zijn familie zou moeten bemoeien… En dus was het tijd om mij te vertellen dat mijn vader in de oorlog een tijdje bij een foute beweging had gewerkt en dat hij daarvoor na de oorlog een tijd in de gevangenis had gezeten en dat mijn moeder daar nooit meer bovenop was gekomen en daarom altijd ziek en depressief en dat ik het nu nog erger maakte door niet alleen maar een lastig kind te zijn, maar ook steeds bleef vragen en dus pijnlijke zaken bleef boven halen, waardoor het nog slechter met haar ging.Niet veel later ging ik uit huis en dat kon door in de verpleging te gaan. In die tijd was je nog verplicht intern, liep je de hele dag in een anoniem uniform en werd er van je verwacht in je vrije tijd te studeren. Altijd in functie. Prima.
In de jaren ’80 en in de jaren ’90 heeft een
psychiater er ook voor gezorgd dat ik – na veel moeite en onder toezicht –
het dossier van mijn vader dossier bij het
ministerie van justitie kon lezen.
Maar ook daar kon ik niets mee, dus ging ik dan
maar weer aan het werk en dat ging dan altijd weer prima.
Mijn oorspronkelijke idee om genealogie te gaan doen was, naast de historische belangstelling, die ik altijd al had, een grote behoefte om geheimen en taboes op te lossen, zowel voor mezelf en ook omdat ik ervan overtuigd ben dat dit meerdere generaties kan beïnvloeden.
Pas nadat mijn ouders gestorven waren en de breuk
met bijna al mijn broers en zussen definitief, heb ik de gelegenheid gezien
en de moed opgebracht om de rest van mijn familie te gaan zoeken.
En het geheim van mijn vader bleek zo nietig
vergeleken bij alles wat er in die tak van Godefrooij verborgen moest
blijven.
Maar de ontdekking dat mijn vader onschuldig was en dat veel mensen dat geweten moeten hebben, dat hij – pas in 1946 – vervolgens nog eens een zeer zware straf krijgt opgelegd, dat de bewijzen van zijn onschuld in een apart dossier zijn gedaan, dat …..
In 2007 zal ik ontdekken dat er drie dossiers waren - bij de verhuizing naar het Nationaal Archief zijn deze samen gevoegd – en dat ik het dossier waarin de brieven zitten, die vertellen dat hij onderduikers verborg, o.a. een Jodenjongetje dat met naam en toenaam genaamd wordt, altijd geheim is gebleven.
Er komt zoveel op me af, maar het moeilijkste is
om tot me te laten doordringen, dat niemand, mijn familie niet, de overheid
niet, de geestelijke gezondheidszorg niet,
de lotgenotengroepen niet, dat niemand mij ooit in de gelegenheid heeft
gesteld om iets meer over mijn afkomst te weten komen.
Natuurlijk zullen veel het niet geweten hebben,
het verdrongen hebben. Iedereen heeft het druk met eigen zaken. En nu 63
jaar later moeten we het maar laten rusten.
Dat NSB’ers nog altijd een vuil en gemeen
scheldwoord is in onze maatschappij en ook in het openbare en politieke
leven als zodanig wordt gebruikt... laat het rusten...
Nee erger nog, dat ik het nu met mijn verstand kan gaan weten, maar het gevoel dat je het slechte kind van je slechte vader bent en geen recht van leven hebt, daarin ben ik al zo lang geleden verdronken en vervolgens bevroren, dat is in dit leven niet meer te helen.
Jo, Co en Suze Godefrooij, leefden destijds op loopafstand van elkaar. Ze
waren ook de enigen uit dat grote gezin, die kinderen hadden.
Objectief gezien was Suze, het kleine zusje, er
nog het beste uit gekomen. Zij had een lieve, intelligente, ambitieuze man,
die haar aanbad… maar dat kon natuurlijk
nooit, het was maar een arbeidersjongen…
Die verstikkende doodsteek, die Co op zijn proces
gaf, daar hoefde je toch geen rechter voor te zijn om dat te doorzien…
Jo, die alles, niet alleen haar lichaam, haar
kinderen, maar ook haar kennis tot in de hoogste kringen, ervoor over had om
zelf in haar luxe te kunnen doorleven…
Ze zijn nu allen dood en het fijne zullen we er nooit over weten, maar ik wil de volgende bladzijden toch de feiten over hen opschrijven, want: