![]() |

|
Deze families waren Rooms Katholiek (Sjamaar na
1850). Van 1566 tot 1853 was dit een verboden godsdienst. Deze mensen mochten geen overheidsfuncties hebben en werden niet tot een gilde toegelaten. Veel van hen behoorden echter tot de gegoede burgers en hadden zelfstandige beroepen, zoals o.a. koopman, boer, molenaar, herbergier... En ze hadden veel katholieke bedienden. |
|
Het geslacht
Rijkenberg bestond
rond 1700 vnl.uit boeren. Adam was - vanaf zijn tiende jaar - op een grote en rijke boerderij opgevoed en zijn vrouw Neeltje van Ginckel was dochter van een boer, die rijk was geworden met het telen van tabak. In de eerste geslachten zie je ook steeds beroepen als landman en grootgrondbezitter opduiken. Mijn overgrootvader had een herberg, maar ook nog een boerderij. |
|
Het woord 'schilder' komt van 'schild' De mensen, die de schilden voor hun Heren maaktenwerden schilders genoemd. Zij maakten het schild niet alleen, maar brachten er ook een. patroon op in kleuren. Hier waren strenge.regels voor. Later ging men iedereen, die schilderde of het nu huizen of.portretten waren schilder noemen. |
De
schilderkunst was in Nederland een bloeiende bedrijfstak, maar juist
hier wordt duidelijk dat het woord 'kunst' ook hier niet van
toepassing is.
Ook de schilderkunst was een ambacht, dat
je kon leren en waar je, als je aanleg, doorzettingsvermogen en
creativiteit had een meester in kon worden.
In het gilde
van de schilders zaten ook wat wij nu 'huisschilders' zouden noemen
en schilders, die 'en masse' goedkope schilderijen kopieerden.
Meer getalenteerde schilders kregen
opdrachten van particulieren - meest voor portretten, maar ook van
interieurs en mooie gebouwen - of van kerken en kloosters.
Zoals bij ieder vak moest een jongen, die schilder wilde worden bij
een meester beginnen.
Voor een rijke jongen kon de opleiding gekocht
worden.
Een gewone jongen moest een
contract tekenen wat hem verplichtte om een aantal (meestal 7) jaren
bij diezelfde meester te
blijven dienen en de grens tussen dienaar en leerling
was toen heel onduidelijk. In deze jaren leerden ze tekenen door
eindeloos
na te tekenen en daarna alle delen van het menselijk
lichaam eindeloos te oefenen. Na het
afronden van de leerperiode ging
de schilder nog een aantal jaren
als gezel in dienst bij een meester.
Toch waren er verschillen tussen de leden van het Lucasgilde
(patroonheilige van de schilders) en andere ambachtslieden,bijvoorbeeld: zij hielden zich niet aan de kleding, die bij hun stand hoorden,
maar kleedden zich in zijde en fluweel,maar ook op andere gebieden
waren veel van hen 'anders'.
Zij hadden in de loop der
jaren een ver ontwikkelde gemeenschappelijke ateliercultuur.
De
schilder ‘scholen’ waren in de zeventiende eeuw het meest
ontwikkeld in hun vaardigheden en hadden invloed in heel Europa.
Ambitieuze en talentvolle
gezellen gingen regelmatig enkele jaren naar het buitenland om
kennis op te doen van de kunst in de klassieke oudheid.
| De
Schulings waren uitstekende ambachts- en
zakenlieden en zijn groot geworden met hun schildersbedrijven. In deze kronieken twee kunstschilders: Pieter Gerard Sjamaar *1876 - Romantische school Reijer Godefrooij * 1911 - religieus schilder |
| In
alle deze geslachten, zie je dat ze zich steeds meer
ontwikkelen tot uitstekende ambachtslieden. En overal zie je deze ontwikkeling samen gaan met het zakeninstinct. Kooplieden dus. |
Textielnijverheid
De opkomst van de vele vormen van textiel bewerken komt omdat de schepen van de V.O.C. veel prachtige (grond)stoffen uit verre oorden naar de Nederlanden brengt, omdat er steeds meer goede kleurstoffen komen, maar ook omdat er veel goede ambachtslieden komen, m.n. de hugenoten, die al in Frankrijk bekend waren als meesters in het bewerken van stoffen en dan met name van zijde.
boratwever
-
boratreder, borat maker, boratverkoper, boratverver, boratzijdewever
Borat is een uit wol en zijde geweven stof.
Het werd voor
allerlei kledingstukken gebruikt, vooral voor kousen, maar ook voor
mantels.
De boratwever behoorde tot dezelfde gilde
als de droogscheerders, greinwerkers, stofjeswerkersdroogscheerder,
droogscheerderskaardenzetter,
droogscheerderskramer, droogscheerderssschaarmaker,
droogscherdersschaarslijper, droogstrijker
droogscheerders zijn doorgaans zelfstandige meesters,
die werken voor kleermakers en particulieren,
maar vanafde 16e eeuw vnl. voor drapiers. Sommigen kopen ook ruwe lakens om
die na bewerking weer van de hand te doen.
|
De schoonvader van Benjamin
Jamart, Nicolas Trenel, was boratwerker in Amsterdam. |
| 1548: ...Die bij het droogscheerders en lakenbereidersgilde in Amsterdam zijn meesterproef wil afleggen moet twee ellen Amsterdams laken, twee ellen Brucx (Brugs) laken en de twee ellen Delfts laken scheren... |
| Jan Sjamaar
*1734 was greinwerker in Amsterdam Jacob Schuling *1690 was boratwerker in Den Haag |
fluweelwerker
- fluweelreder, fluweelscheerder, veloutierr,
fluweelwever
Fluweel is een
kostbare, zachte glanzende stof, gemaakt van zijde, wol of katoen..
Trijp is een steviger soort fluweel, dat o.a.
wordt gebruikt voor meubelbekleding. In het weefsel worden lusjes
geweven, die aan de toppen worden doorgesneden. Hierdoor ontstaat een behaard oppervlak..
|
De schoonvader van Benjamin Jamaar, Evert Bijleveld *1650,was fluweelwerker |

|
Antoon Godefrooij
* 1837 was
manufacturier en kleermaker.. |
| Benjamin Sjamaar *
1683 Jan Sjamaar * 1776 Abraham Sjamaar * 1783 Hendrik Sjamaar * 1821 waren gouddraadtrekkers en pletters De schoonzoon van Jan Sjamaar was zilversmid |


|
De oudste zoon
van Adam en Neeltje, Teun Rijkenberg * 1709 was watermolenaar in Katwoude. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Kees Rijkenberg* 1736 en die weer door zijn zoon Ariaan Rijkenberg * 1785. |
Adam Rijkenberg, de vader van Teun was knecht bij een
molenaar in Weesp. Hij beheerde daar ook de boerderij.
En zijn oudste zoon,
Teun, heeft dus het vak van molenaar geleerd. En dat ook uitgeoefend toen
deze Cornelis Karaije al naar Purmerend was gegaan
| bank van lening |
| gesticht |
| ziekenzaal |
| garnizoenszaal |
| soldaat in persoonlijke dienst van een officier |
| in de stoeterij |
| huisbewaarder |
| bij een zieke thuis |
| jachtopziener |
De Bouw
Al in de Romeinse
tijd werd er met stenen gebouwd. En er waren dus veel beroepen, die hiermee
te maken hadden.
In Nederland werden schelpen uit de Noordzee
gehaald ten behoeve van de kalkproductie. Door het gebrekkige brandproces
bevatte de kalk nog schelpengruis
en dit typeert dit type mortel.
Dit werd in kalkmolens verwerkt en daarna via de kalkmouw of kalkschuit naar
de bouwplaats; waarna de
mortel naar de metselkuip werd gedragen.
Degenen, die dit deden en zij die de
kalkschuiten losten werden kalkdragers genoemd.
Het metselen zelf gebeurde door de
meestermetselaar en de metselaar. De meestermetselaar was eveneens
steenkapper.
De metselaars leerden zelf hun leerlingen de samenstelling van
de mortel en deze leerlingen werden mortelmaker, kalkblusser of pleisteraar.
Het bereiden van de mortel was het werk van de minst geschoolden. In de
winter werkten de metselaars niet aangezien de kalkmortel gevoelig is voor
vorstschade.
1880 - bouw van een muur
| Er zijn 14 metselaars in deze kronieken |
De Horeca
1633 - Rembrandt: herberg
Sinds mensenheugenis zijn er herbergen, logementen en taveernes die gericht waren op het bieden van eten, rust en onderdak aan reizigers, maar ook de eigen stadsbewoners bezochten herbergen.

|
Amsterdam 1694: van de Vroedschap: Dat van nu voortaan geene Herbergiers, Tappers, Waardinnen en Coffy-schenkers, op Sondag of Feestdagen, onder de Predicatie, tot des middags twaalf uuren en op de Bededagen den gantschen dag, haar zullen hebben te vervorderen eenige menschen ... ten haren Huysen in gelagen te setten of op Verkeerbord, Hoornbord enz. ... te laten speelen... |
|
Utrecht 1712: van de Vroedschap: aan alle coffymeesters en biljarthouders...te verbieden... van haaren huysen niet te laten gebruycken dobbelsteenen of speelkaarten |
|
In de
achttiende en negentiende eeuw zijn er meer dan
30
tappers, koffiehuishouders, herbergiers in deze kronieken te vinden. |