clip
 

     arbeid

alle
rooms
beroepen
Sjamaar
Godefrooij
Rijkenberg
Schuling
contact
veld
In de Middeleeuwse standenmaatschappij waren diverse beroepen verdeeld over strikt gescheiden bevolkingsgroepen, de adel, de geestelijkheid, de boeren en de burgerij. Diverse ambachten werden beoefend in goed georganiseerde gilden.
Op deze bladzijde zullen alleen die beroepen aan bod komen, die door mensen uit deze families beoefend worden.

Deze families waren Rooms Katholiek (Sjamaar na 1850).
Van 1566 tot 1853 was dit een verboden godsdienst.
Deze mensen mochten geen overheidsfuncties hebben en werden niet tot een gilde toegelaten.

Veel van hen behoorden echter tot de gegoede burgers en hadden zelfstandige beroepen,
zoals o.a. koopman, boer, molenaar, herbergier...

En ze hadden veel katholieke bedienden.

Hun kinderen kregen onderwijs aan huis of gingen naar de Latijnse School. Ze hadden veel land, meerdere huizen en leefden in welstand, hadden vele bedienden.
Ze zagen zichzelf ook als vertegenwoordigers van de bourgeoisie (letterlijk: de bezittende klasse), waartoe met name ook veel koopliedenen grootgrondbezitters behoorden. In het sociale leven hadden ze ook veel met elkaar te maken en deze groepen hadden ook dezelfde arrogantie.
Ze werden ook wel de stedelijke adel genoemd en wisten niet beter dan dat ze boven aan de ladder in de maatschappij stonden.

koopman
Koopman


Door de ligging aan zee, de volksaard (zuinig, bedachtzaam, hard en kundig werken, geld verdienen) en de tolerantie kwamen er na 1550 vele groepen immigranten naar Nederland. Dit werkte gunstig op het handelsklimaat. De groothandelaren verkochten hun goederen aan de regionale handelaars, die voorzagen in de vraag van hun omgeving, maar die de grondstoffen, zoals textiel, leer, hout, ook degelijk en goed lieten bewerken en daar weer mee op de markt kwamen en die markten strekten zich over een groot deel van Europa uit.De meeste bedrijven waren familiebedrijven, die van generatie op generatie werden voortgezet. Voor de wet waren de vrouwen niet handelingsbekwaam, maar in de praktijk kregen alle kinderen een goede opleiding en als de man stierf kon de vrouw de zaken overnemen tot de oudste zoon zijn opleiding had voltooid.
De zonen werden ook dikwijls voor enige jaren naar het buitenland gestuurd, zowel voor hun talenkennis als voor de contacten. Belangrijk was ook het huwelijkscontract waar lang over onderhandeld werd opdat het familiekapitaal niet verkwanseld zou worden.
Handel stond in de Republiek en m.n. in Holland in hoog aanzien,dit in tegenstelling tot de meeste andere landen in Europa. Het was voor de elite geaccepteerd om zich met de handel in te laten, men moest er alleen niet van afhankelijk zijn. Het leven van de vruchten van het eigen vermogen was traditioneel de meest eervolle wijze van leven.
Als de vader het bedrijf aan de opvolgers kon over laten en ging rentenieren / in een indrukwekkend woonhuis, personeel, rijtuigen, paarden, een buiten….
dan had deze familie een hoge stand en uitstekende reputatie. Het beroep op zich had dus niets met status, stand, reputatie te maken. Het ging om de handel en het vakmanschap.

Het ging er in de hoge kringen om de nuttige dingen in een huishouden weelderig en mooi te laten zijn. Het begrip 'kunstenaar' bestond nog niet.
Bijvoorbeeld een goede vakman, die kasten van prachtig houtsnijwerk voorzag kon 'meester' in zijn vak worden en daarmee tot de elite gaan behoren,zeker als hij ook nog creatief was.

Boer

Met het ontginnen van nieuwe gebieden trokken vooral de boeren naar de nieuwe landen om de steden heen. De feodale aanspraken op de boeren werden steeds minder en dus kwamen er steeds meer vrije boeren.
Tot in de 19e eeuw is zo’n 70 % van de plattelandbewoners ‘boer’ d.w.z. dat de gronden gebruikt werden voor de behoeften van het eigen huishouden en voor het dorp. Ze waren dus allen voor hun levensonderhoud afhankelijk van de gewassen en het vee. Maar dit boer zijn werd steeds minder het hoofdberoep. boerderij
De meeste Nederlandse boeren hadden dan ook een nevenberoep, turf steken, vissen, vogelvangst, riet en rijshout verwerken, dijkonderhoud.
De dorpen groeiden en er kwamen ook steeds meer handelslieden, ambachtslieden, schippers, voerlieden. In de loop van de zestiende en zeventiende eeuw gaan boeren zich specialiseren en investeren in hun bedrijf. Daardoor konden ze hun bedrijven uitbreiden en de producten, zoals zuivel of granen op de markten gaan verkopen.
Dit wordt ook wel het begin van het kapitalisme genoemd.

De best bekende en meest grootschalige investeringen waren de droogmakerijen. De boeren, die hier land kochten vormden de commerciële voorhoede van de nieuwe plattelandseconomie. En er kwamen steeds meer specialisaties, zoals hennep, hop, tabak...
In tegenstelling tot andere Europese landen is er in Nederland nooit een kloof geweest tussen stad en platteland.Daarvoor was het land ook te klein. De meeste dorpen konden zelf de dagelijkse goederen en diensten leveren en de gespecialiseerde boeren leverden aan de steden. Evenals in de steden kon zo’n 80 % van de plattelandsbevolking lezen en schrijven.
En ook de economische positie en de materiële cultuur van de boeren verschilden niet wezenlijk van die van de stedelingen. Een van de geheimen van de economische bloei in de Gouden Eeuw was juist de sterke integratie van de agrarische, industriële en handelssectoren.

landlandland
kaarten van de drooglegging in Noord Holland - 17e eeuw

Het geslacht Rijkenberg  bestond rond 1700 vnl.uit boeren.
Adam was - vanaf zijn tiende jaar - op een grote en rijke boerderij opgevoed en zijn vrouw
Neeltje van Ginckel was dochter van een boer, die rijk was geworden met het telen van tabak.

In de eerste geslachten zie je ook steeds beroepen als landman en grootgrondbezitter opduiken.
Mijn overgrootvader had een herberg, maar ook nog een boerderij.



Schilder
Het woord 'schilder' komt van 'schild'
De mensen, die de schilden voor hun Heren maaktenwerden schilders genoemd.

Zij maakten het schild niet alleen, maar brachten er ook een. patroon op in kleuren.
Hier waren strenge.regels voor.

Later ging men iedereen, die schilderde of het nu huizen of.portretten waren schilder noemen.

De schilderkunst was in Nederland een bloeiende bedrijfstak, maar juist hier wordt duidelijk dat het woord 'kunst' ook hier niet van toepassing is. Ook de schilderkunst was een ambacht, dat je kon leren en waar je, als je aanleg, doorzettingsvermogen en creativiteit had een meester in kon worden.
In het gilde van de schilders zaten ook wat wij nu 'huisschilders' zouden noemen en schilders, die 'en masse' goedkope schilderijen kopieerden.
Meer getalenteerde schilders kregen opdrachten van particulieren - meest voor portretten, maar ook van interieurs en mooie gebouwen - of van kerken en kloosters.


schilderZoals bij ieder vak moest een jongen, die schilder wilde worden bij een meester beginnen. Voor een rijke jongen kon de opleiding gekocht worden.
Een gewone jongen moest een contract tekenen wat hem verplichtte om een aantal (meestal 7) jaren bij diezelfde meester te blijven dienen en de grens tussen dienaar en leerling was toen heel onduidelijk. In deze jaren leerden ze tekenen door eindeloos na te tekenen en daarna alle delen van het menselijk lichaam   eindeloos te oefenen. Na het afronden van de leerperiode ging de schilder nog een aantal jaren als gezel in dienst bij een meester.  

Toch waren er verschillen tussen de leden van het Lucasgilde (patroonheilige van de schilders) en andere ambachtslieden,bijvoorbeeld: zij hielden zich niet aan de kleding, die bij hun stand hoorden, maar kleedden zich in zijde en fluweel,maar ook op andere gebieden waren veel van hen 'anders'.
Zij hadden in de loop der jaren een ver ontwikkelde gemeenschappelijke ateliercultuur.

De schilder ‘scholen’  waren in de zeventiende eeuw het meest ontwikkeld in hun vaardigheden en hadden invloed in heel Europa.
Ambitieuze en talentvolle gezellen gingen regelmatig enkele jaren naar het buitenland om kennis op te doen van de kunst in de klassieke oudheid.

De Schulings waren uitstekende ambachts- en zakenlieden
en zijn groot geworden met hun schildersbedrijven.

In deze kronieken twee kunstschilders:
    Pieter Gerard Sjamaar   *1876 - Romantische school
    Reijer Godefrooij               * 1911 - religieus schilder

Concentratie van rijkdom maakte het mogelijk dat kunstenaars als musici van hun kunst een vak konden maken. Maar ook dat ambachtslieden van hun vak een kunst gingen maken. Dat geldt voor werken met leer, met hout en zeker ook voor de textielnijverheid.

Spinnen, weven, stoffen maken van wol, vlas, netel deden de mensen natuurlijk al heel lang, maar naarmate de Gouden Eeuw vordert zie je ook een enorme opkomst van de textielnijverheid.

In alle deze geslachten, zie je dat ze zich steeds meer ontwikkelen tot uitstekende ambachtslieden.
En overal zie je deze  ontwikkeling samen gaan met het zakeninstinct.      Kooplieden dus.


Textielnijverheid

De opkomst van de vele vormen van textiel bewerken komt omdat de schepen van de V.O.C. veel prachtige (grond)stoffen uit verre oorden naar de Nederlanden brengt, omdat er steeds meer goede kleurstoffen komen, maar ook omdat er veel goede ambachtslieden komen, m.n. de hugenoten, die al in Frankrijk bekend waren als meesters in het bewerken van stoffen en dan met name van zijde.
Tijdens de godsdienstvervolgingen trekken deze vnl. naar Vlaanderen om daar met hun collega wevers samen te gaan werken. Vervolgens trekken ze met een grote groep naar Engeland waar zij grootse weverijen stichten in Spitalfields vlakbij Londen. Vandaar uit zal dit ambacht zich verder verspreiden.
In deze nijverheidstak ontstaan veel beroepen, zoals o.a.:
wever

boratwever - boratreder, borat maker, boratverkoper, boratverver, boratzijdewever
Borat is een uit wol en zijde geweven stof. Het werd voor allerlei kledingstukken gebruikt, vooral voor kousen, maar ook voor mantels.

De boratwever behoorde tot dezelfde gilde als de droogscheerders, greinwerkers, stofjeswerkers
droogscheerder, droogscheerderskaardenzetter, droogscheerderskramer, droogscheerderssschaarmaker, droogscherdersschaarslijper, droogstrijker

droogscheerder
d
roogscheerders zijn doorgaans zelfstandige meesters, die werken voor kleermakers en particulieren,
maar vanaf
de 16e eeuw vnl. voor drapiers. Sommigen kopen ook ruwe lakens om die na bewerking weer van de hand te doen.

De schoonvader van Benjamin Jamart,
Nicolas Trenel, was boratwerker in Amsterdam. 

1548: ...Die bij het droogscheerders en lakenbereidersgilde in Amsterdam zijn meesterproef wil afleggen moet twee ellen Amsterdams laken, twee ellen Brucx (Brugs) laken en de twee ellen Delfts laken scheren...
grein
greinwerker
(Frans: grosgranier) - greinder, greindrapier, greinhandelaar, greinier, greingarenverver, greinreder, greinwever.
Grein is oorspronkelijk een weefsel met zijde, dat met name voor kousen, linten en hoedenbanden werd gebruikt.

Greingaren wordt getwijnd om een oneffen (geribd) oppervlak te krijgen..
Later wordt ook geiten- of kemelshaar als schering en wol als inslag gebruikt (Turks grein) of geheel van wol.
Greinen worden niet gevold (volden = vervilten) of geschoren en hebben daardoor een oneffen uiterlijk..

Greingaren heeft een rode kleur en de dikkere stof wordt meestal scharlakenrood geverfd. Een greinder was dan ook een roodverver                                          grein
Deze stof wordt ook wel kamelot genoemd, dit betekent 'kostbaar oosters weefsel'..
Greinen wordt ook niet geperst, maar met een kalander glad gemaakt.
De greinlooier bevestigt de loodjes aan goedgekeurde greinen
Jan Sjamaar *1734 was greinwerker in Amsterdam
Jacob Schuling *1690 was boratwerker in Den Haag

fluweelwerker  - fluweelreder, fluweelscheerder, veloutierr, fluweelwever
fluweelFluweel is een kostbare, zachte glanzende stof, gemaakt van zijde, wol of katoen..
Trijp is een steviger soort fluweel, dat o.a. wordt gebruikt voor meubelbekleding. In het weefsel worden lusjes geweven, die aan de toppen worden doorgesneden. Hierdoor ontstaat een behaard oppervlak..

De schoonvader van Benjamin Jamaar,
Evert Bijleveld *1650,was fluweelwerker 

Manufacturenmanufactuur
Een manufactuur is een werkhuis of fabriekshuis waar een, soms groot, aantal mensen een bezigheid uitoefenen.die voordien wel als huisnijverheid werd verricht. De werkers werden betaald in stukloon of dagloon.
Kenmerkend voor de manufactuur was de lage mechanisatiegraad en de geringe mate van arbeidsdeling.                                                   manufactuur
Toch was er enige specialisatie vereist: men had te maken met een primitieve vorm van bedrijfsorganisatie,waartoe ook activiteiten behoorden als inkoop, verkoop, administratie, leidinggeven, en werkvoorbereiding.

De manufactuur kan gezien worden als de voorloper van de moderne industrie..
Vroeger betrof het vooral voor-industriële bedrijven, vaak betrokken bij de textielsector.    
Ook de marskramers/reizende kooplieden waren meestal manufacturiers.                                              
Textielmanufacturen ontstonden reeds in de 18e eeuw en vormen de voorlopers van alle grote 19e eeuwse textielindustriegebieden.


Antoon Godefrooij * 1837 was manufacturier en kleermaker..
Bij de Rijkenbergen zijn meerdere manufacturiers, c.q reizende kooplieden.
Dikwijls hield de echtgenote de winkel en ging de echtgenoot met de
manufacturen.op stap..
De namen koopman en manufacturier werden dikwijls door elkaar gebruikt..
De gebroeders Lammerding stonden als koopman te boek. 
Maar er wordt beschreven hoe Theodor de boer op ging
met een grote zak van blauw linnen.
Deze zak zit vol manfacturen en hangt met een ellestok over de schouder..




Goud en zilversmeden
Zowel een zilversmid als een goudsmid is een ambachtsman, die is gespecialiseerd in het bewerken van edelmetaal. In tegenstelling tot wat veel mensen denken zegt de term zilversmid of niets over het metaal waar de persoon mee werkt.
Maakt hij grote gebruiksvoorwerpen zoals schalen, bokalen en andere grote gebruiksvoorwerpen - vaak zijn dit kerkelijke voorwerpen die voor de rite gebruikt worden - dan is er sprake van een zilversmid.Maakt de smid kleine siervoorwerpen en of dan spreekt men van een goudsmid.
Behalve de grootte van de voorwerpen is er nog een verschil in de technieken die een zilversmid gebruikt ten opzichte van de technieken die een goudsmid gebruikt.
In principe kun je dus een goudsmid zijn die enkel met zilver werkt of een zilversmid die alleen maar met goud werkt.
Edelsmeden gebruiken al sinds eeuwen dezelfde methoden om het zilver en goud te smeden.

                                                                   goudwegergoudwegerzilversmidzilversmidgoudsmidgoudsmit                             


Benjamin Sjamaar * 1683
Jan Sjamaar * 1776
Abraham Sjamaar * 1783
Hendrik Sjamaar * 1821
waren gouddraadtrekkers en pletters
De schoonzoon van Jan Sjamaar was zilversmid

Watermolenaarwater

water
Van zijn werk hadden anderen profijt: ‘De polder op peil is des landmans heil', luidde het gezegde. Te midden van polders,
dijken en wuivend riet, niet weg te denken uit het Hollandse landschap, waren de molens verantwoordelijk voor een belangrijk stuk waterstaatkundige geschiedenis van ons land en zonder hen zou de lage helft ervan niet kunnen bestaan. Watermolenaar kon je eigenlijk alleen maar worden door jarenlange ervaring. Dit beroep met zijn vele “kneepjes” werd geleerd van vader op zoon en het “besturen” van een watermolen was dan ook vaak een familietraditie. Bij een geboorte of huwelijk werden de wieken met vlaggetjes versierd en in de “vreugdestand” gezet.

De watermolens waren groot, maar het woongedeelte was klein. Jaarlijks ontving de molenaar een vergoeding voor zijn arbeid.
Gemiddeld zo'n fl.100,- per jaar. Een gezin met veel kinderen kon hier van niet leven. Maar het was heel gewoon dat een watermolenaar ook vee hield, fuiken zette voor vissen en eenden, zijn eigen gewassen teelde. Dus een boerderij bij de molen.
 
De oudste zoon van Adam en Neeltje,
Teun Rijkenberg * 1709 was watermolenaar in Katwoude.
Hij werd opgevolgd door zijn zoon Kees Rijkenberg* 1736
en die weer door zijn zoon Ariaan Rijkenberg * 1785.
 

Adam Rijkenberg, de vader van Teun  was knecht bij een molenaar in Weesp.  Hij beheerde daar ook de boerderij.
En zijn oudste zoon, Teun, heeft dus het vak van molenaar geleerd. En dat ook uitgeoefend toen deze Cornelis Karaije al naar Purmerend was gegaan


Oppasser

In deze kronieken komen heel wat 'oppassers' voor. Opvallend veel bij de getuigen.

Een oppasser is een soort bewaker, maar dit kan op heel veel plaatsen en bij heel veel mensen zijn, zoals
bank van lening
gesticht
ziekenzaal
garnizoenszaal
soldaat in persoonlijke dienst van een officier
in de stoeterij
huisbewaarder
bij een zieke thuis
jachtopziener


De Bouw

Al in de Romeinse tijd werd er met stenen gebouwd. En er waren dus veel beroepen, die hiermee te maken hadden.

In Nederland werden schelpen uit de Noordzee gehaald ten behoeve van de kalkproductie. Door het gebrekkige brandproces bevatte de kalk nog schelpengruis en dit typeert dit type mortel.
Dit werd in kalkmolens verwerkt en daarna via de kalkmouw of kalkschuit naar de bouwplaats; waarna de mortel naar de metselkuip werd gedragen.
Degenen, die dit deden en zij die de kalkschuiten losten werden kalkdragers genoemd.

Het metselen zelf gebeurde door de meestermetselaar en de metselaar. De meestermetselaar was eveneens steenkapper.
De metselaars leerden zelf hun leerlingen de samenstelling van de mortel en deze leerlingen werden mortelmaker, kalkblusser of pleisteraar.
Het bereiden van de mortel was het werk van de minst geschoolden. In de winter werkten de metselaars niet aangezien de kalkmortel gevoelig is voor vorstschade.

metselen1880 - bouw van een muur

Er zijn  14  metselaars in deze kronieken


De Horeca                                                                                                                                                                                                                                                                                              1633 - Rembrandt: herbergherberg

Sinds mensenheugenis zijn er herbergen, logementen en taveernes die gericht waren op het bieden van eten, rust en onderdak aan reizigers, maar ook de eigen stadsbewoners bezochten herbergen.
Het was ook een geliefd onderwerp voor veel schilders, zoals ook voor  pieter sjamaar
Halverwege de 17e eeuw begon de opmars van koffie in Europa. Dit resulteerde in het ontstaan van koffiehuizen voor de meer welgestelden uit eigen stad. Hiervan is de term café (koffie in het Frans) afkomstig.
De bruine kroeg ontstond begin 19e eeuw, toen meer en meer mensen als extra kostwinning hun voorkamer inrichtten als plaats waar mensen iets konden drinken. De traditionele inrichting van de bruine kroeg, met kleedjes op tafel en lampjes aan de muur, is vaak intact gebleven.
koffiehuis
Begin
20e eeuw werden cafés opgezet in Jugendstil en later Art deco. Hiermee kwam de scheiding tussen kroegen en cafés echt op gang; de kroeg voor het volk, het café voor de middenklasse.
In de geschiedenis is de naamgeving van het woord koffiehuis en café van betekenis veranderd, van een locatie waar vooral koffie gedronken wordt, naar een plek waar vooral alcoholische drank wordt gebruikt.

Oorspronkelijk werd er in koffiehuizen dus alleen koffie en chocolade verkocht. Dat dit veranderde is ook te zien aan  nieuwe regels, die door de overheden opgesteld werden, zoals
koffiehuis

Amsterdam 1694: van de Vroedschap:
Dat van nu voortaan geene Herbergiers, Tappers, Waardinnen en Coffy-schenkers,
op Sondag of Feestdagen, onder de Predicatie, tot des middags twaalf uuren en op
de Bededagen den gantschen dag, haar zullen hebben te vervorderen eenige menschen ...
ten haren Huysen in gelagen te setten of op Verkeerbord, Hoornbord      enz. ... te laten speelen... 

Utrecht 1712: van de Vroedschap:
aan alle coffymeesters en biljarthouders...te verbieden...
van  haaren huysen niet te laten gebruycken dobbelsteenen of  speelkaarten

De katholieke bevolking heeft hier altijd minder moeite mee gehad.
Tot het midden van de 20e eeuw was het in zuidelijk Nederland niet ongewoon om overledenen in een plaatselijk café op te baren.
En om kerk- en cafébezoek te combineren was ook heel gewoon.
Hoewel men in de betere kringen deze borrel niet in het openbaar ging drinken was het ook daar gewoonte om op zon- en feestdagen met vrienden en familie uitstekend te eten en te drinken

In de achttiende en negentiende eeuw zijn er meer dan 30 tappers,
koffiehuishouders, herbergiers in deze kronieken te vinden.